Zieke cijfers

EIND vorige week viel Agnes Kant, Tweede Kamerlid voor de Socialistische Partij en gepromoveerd epidemiologe, de statistische berekening aan die onderzoekers van het Academisch Medisch Centrum (AMC) in Amsterdam naar de conclusie leidde dat er geen verband bestaat tussen de auto-immuunziekten onder Bijlmergetroffenen en -hulpverleners en de lading of de brand van het neergestorte vliegtuig. Bijlmerenquêtecommissie nam op grond van hetzelfde rapport, en een paar aanvullende gegevens, het tegenovergestelde standpunt in: er bestaat wel een verband tussen de gevonden auto-immuunziekten en de Bijlmerboeing.

Kant viel over een tabel in het AMC-rapport (het Derde Tussenrapport Onderzoek Gezondheidsklachten Bijlmerramp) die laat zien dat de meestvoorkomende auto-immuunziekte SLE (systemische lupus erythematodes) onder de getroffenen en hulpverleners niet vaker voorkomt dan statistisch te verwachten is. Het AMC ging uit van de veronderstelling dat 3 op de 100.000 Nederlanders jaarlijks SLE krijgen. Zes jaar na de ramp zijn er, door welke oorzaak dan ook, dus 18 (6 x 3) per 100.000 te verwachten.

Dat was het eerste getal in de omstreden AMC-tabel. Het tweede getal is het feitelijk aantal gevonden SLE-patiënten: 6. In zes jaar tijd wel te verstaan. Vergelijking van die 18 per 100.000 in zes jaar met die 6 in zes jaar is alleen mogelijk als bekend is hoeveel mensen met de in de Bijlmer neergestorte Boeing in contact kwamen. De lage schatting is 5.000 mensen, de hoge schatting 10.000. Zelf omrekenen van 6 per 5.000 en 6 per 10.000 tot `per 100.000' leidt tot 120 en 60 patiënten. De AMC-onderzoekers noteerden echter in de tabel: 20 per 5.000 en 10 per 10.000. Het scheelt een factor zes. De tabel suggereert op die manier dat de te verwachten 18 patiënten netjes vallen binnen de range van 10 tot 20 patiënten. De Bijlmerramp heeft geen SLE toegevoegd, zegt de tabel.

Agnes Kant zag dat in de tabel niet 10 of 20, maar 60 of 120 had moeten staan. Dat oogt heel anders, want het is niet net zoveel, maar 3 tot 7 keer zoveel.

``Aan Kant komt de eer toe de vinger te hebben gelegd op een onheldere passage in het AMC-rapport,'' zegt dr.J. Vandenbroucke, epidemiologiehoogleraar aan de Universiteit Leiden die op verzoek van NRC Handelsblad de statistiek in het AMC-rapport beoordeelde.

Kant heeft gelijk met haar kritiek op de incidentietabel, maar de AMC-onderzoekers bouwden hun oordeel uiteindelijk niet op de incidentiecijfers, maar op de prevalentiecijfers. De bekritiseerde tabel bungelt maar wat. De prevalentie is het aantal mensen (per 100.000) dat op zeker moment aan de ziekte lijdt, niet het aantal mensen dat de ziekte jaarlijks krijgt. Ook op die werkwijze bestaat kritiek.

Kant: ``Een epidemiologische beschouwing van de gevolgen van een ramp moet je nou eenmaal op basis van incidentie doen.'' Vandenbroucke vindt dat ook, maar weet zonder uitgebreide studie niet tot welke slotsom dat leidt: ``Op de achterkant van een envelop bereken je dat er twee- tot viermaal zoveel gevallen van SLE in de blootgestelde groep zijn gevonden. Dat is zo'n geringe verhoging dat je ook moet weten hoe de diagnosen gesteld zijn, hoe je genetische samenstelling is en hoe de geslachts- en leeftijdsverdelingen binnen de groep zijn.''

CORRIGEREN

Als kamerlid ergert Kant zich aan het feit dat kamerleden deze verkeerde cijfers van het AMC als waarheid gepresenteerd krijgen. Kant: ``Het ministerie hadden moeten corrigeren. Als oud-wetenschapper vind ik het onbegrijpelijk dat als je ergens grof naar kijkt en je vindt iets, dat je het dan vervolgens wegredeneert en zegt dat geen nader onderzoek nodig is. Juist dan moet je verder willen zoeken.''

Donderdag aan het eind van de middag produceerden de AMC-onderzoekers een nieuw document. Een verduidelijking, noemen ze het zelf. Maar het is een correctie. Allereerst wordt de redenering nu op incidentie en niet op prevalentie gebouwd. Ten tweede wordt niet langer met 6 maar met 5 patiënten gerekend, omdat bij een mevrouw die in 1993 de diagnose SLE kreeg de ziekteverschijnselen al vóór de ramp duidelijk manifest waren. Ten derde wordt met incidentiecijfers gerekend voor blanke en Kaukasische groepen. De incidentie verschilt zo van 3 (aanvankelijk gebruikt) tot 8 per 100.000. Dat laatste is de hoogst gemeten incidentie, onder Afro-caraïbische vrouwen die in de Bijlmer ruim vertegenwordigd waren, maar onder de hulpverleners niet.

Bij 5.000 blootgestelden en een incidentie tot 5 per 100.000 is de vondst van 5 patiënten een statistisch significante verhoging van het aantal patiënten. Kant: ``Aangezien er drie blanke mannen onder die 5 zijn denk ik dat je met zo'n laag incidentiecijfer rekening moet houden. Maar allereerst ben ik blij dat ze met deze herziening komen. De methode is nu juist. Het schrappen van die ene patiënt kan ik volgen. Daar kun je voor kiezen. En ze geven toe dat hun eerdere berekening niet klopte, tussen de regels door.''

Ook Vandenbroucke reageert positief over de gekozen methode. ``Maar duidelijk is dat men er op deze korte termijn niet uit is gekomen. Er moet natuurlijk meer te zeggen zijn over de samenstelling van de groep. Ik vind dat er door een groep deskundigen verder over na moet worden gedacht.''

De AMC-onderzoekers blijven bij hun conclusie: ``er kan geen causale relatie worden aangenomen tussen het optreden van de ramp en de 5 nieuwe SLE-gevallen.''

Kant: ``Ik vind dat die slotzin had moeten luiden: we hebben redenen om aan te nemen dat er een causaal verband is en er is verder epidemiologisch onderzoek nodig.''