WANNEER JONGENS GAAN SCHIETEN

Wat is er mis met een land waar schoolkinderen elkaar vermoorden? Koortsachtig probeert Amerika lessen te trekken uit het zoveelste schietincident. Maar iedereen vindt wat anders.

Het bloedbad dat twee jongens op 20 april aanrichtten op Columbine High School in Littleton, in Colorado, heeft op scholen door heel Amerika grote onrust veroorzaakt. Kan zoiets ook bij ons gebeuren?, vraagt men zich angstig af. En: hoe kunnen we herhaling van dit soort drama's voorkomen? Waarom zijn er de laatste tijd zoveel schietpartijen op scholen? Is er niet iets grondig mis met het onderwijs, met de relatie tussen ouders en kinderen of met de hedendaagse cultuur?

Onder aanvoering van de media, die dergelijke vragen al opwierpen voordat de vijftien lijken goed en wel geborgen waren, is hierover een soort nationale discussie ontbrand. Want Amerika zoekt naar antwoorden. En iedereen die een schoolgaand kind heeft – of is geweest – heeft zo zijn opvattingen over de zaak.

Van eensluidende conclusies is geen sprake. De een ziet de oplossing in strengere regels voor het bezit van vuurwapens. De ander wil een herstel van traditionele normen en waarden. En weer een ander zoekt het in een grotere waakzaamheid van ouders en leraren, of in meer politie, meer beveiligingscamera's en meer metaaldetectoren op school.

De behoefte om een les te kunnen trekken uit het drama, zodat het tenminste ook iets goeds heeft opgeleverd, is groot. Koortsachtig probeert men daarom te achterhalen wat de twee jongens bij hun massamoord heeft bewogen. Want als we hun gedrag kunnen verklaren, is de gedachte, dan kunnen we de wortel van het kwaad aanpakken - of dat nu de gewelddadige opzet van computerspelletjes is, de obsessie met moord en doodslag van Hollywood, de gemakkelijke verkrijgbaarheid van vuurwapens, het internet, de kliekvorming op scholen, of het emotionele isolement waarin veel jongeren verkeren.

Wat voor jongens Eric Harris (18) en Dylan Klebold (17) waren, begint langzamerhand duidelijk te worden. Intelligente scholieren, maar buitenbeentjes met weinig aansluiting bij hun klas en een naïeve bewondering voor Hitler en het nazisme. The Monsters Next Door luidt deze week de kop op het omslag van Time, met daarboven de frisse portretten van de twee jongens.

Ze hadden in hun vrije tijd een baantje in een pizza-restaurant, ze hielden van computerspelletjes, vooral van het bloedige Doom, en ze kwamen allebei uit een doorsnee middenklasse gezin. De vader van Harris is piloot bij de luchtmacht geweest. Klebold's vader is een geo-fysicus die handelt in hypotheken, zijn moeder werkt met gehandicapte kinderen. Tot zover niets bijzonders.

Vorig jaar januari kwamen de jongens in aanraking met de politie, nadat ze hadden ingebroken in een auto. Ook dat is niet erg uitzonderlijk voor hun leeftijdsgroep. Ze moesten na die inbraak een programma volgen dat hen weer op het goede pad zou brengen, via maatschappelijke dienstverlening en een cursus om te leren omgaan met hun kwaadheid. Met lovende woorden van hun toezichthouders konden ze dat rehabilitatie-programma ruim twee maanden geleden afsluiten.

Toch waren er allang tekenen dat althans één van de twee, Harris, niet zomaar een lastige adolescent was. Hij bedreigde vorig jaar een klasgenoot met de dood. Op zijn eigen website schreef hij hoe hij de jongen om het leven zou brengen, dat hij bezig was een voorraad staafbommen te maken, dat hij het leven haatte en dat hij iedereen die hem niet beviel zou neerschieten. De ouders van de bedreigde jongen gingen met afdrukken van de website naar de politie. Maar die ondernam niets, ondanks herhaald aandringen.

Dit voorjaar probeerde Harris zich als rekruut aan te melden bij de mariniers. Maar hij werd afgewezen toen uitkwam dat hij had gelogen over de vraag of hij medicijnen gebruikte. Op psychiatrisch advies slikte hij al enige tijd een anti-depressivum.

DAGBOEK

Deze week ontdekte de politie dat Harris al een jaar lang een dagboek bijhield, waarin hij nauwgezet de voorbereidingen optekende voor de moordpartij waaraan hij en Klebold zich vorige week te buiten gingen. Het plan was, volgens de politie, om zo'n vijfhonderd slachtoffers te maken, de school op te blazen, daarna huizen in de omgeving aan te vallen en zelfs een vliegtuig te kapen en te laten neerstorten op New York. Zelfs nu nog lijkt het meer het script voor een tweederangs Hollywood-film, dan een serieus gevaar.

Hoe de jongens zo gek zijn geworden om dit soort plannen te maken, laat staan uit te voeren, blijft een raadsel. Het valt niet te ontkennen dat televisie, films en videospelletjes de afgelopen jaren steeds bloederiger zijn geworden. Ook is het zo dat het voor de meeste scholieren in Amerika geen enkel probleem is om aan een vuurwapen te komen. En dat je op het internet kan leren hoe je een bom moet maken. Dat tieners elkaar op school op een heel wrede manier kunnen vernederen. En dat ouders steeds minder tijd hebben voor hun kinderen.

Maar al die constateringen verklaren niet waarom verreweg de meeste Amerikaanse scholieren geen massamoordenaars zijn, en Harris en Klebold wel. De psychologische autopsie van de twee zal de komende weken en maanden ongetwijfeld in het openbaar worden voortgezet, met behulp van alle hele en halve deskundigen en gezond-verstand-filosofen die de media bijeen kunnen brengen. De karakters van de twee moordenaars wekken immers niet alleen afschuw op, maar ook fascinatie. Als gespreks-onderwerp op radio, televisie en het internet, zijn ze hapklare brokken voor de nieuws- en vermaaksindustrie die onze zucht naar sensatie 24 uur per dag aanwakkert en voedt.

Het mag een al te simpele reflex zijn om de alomtegenwoordigheid van geweld in de hedendaagse cultuur aan te wijzen als de diepere oorzaak van het drama. Maar het is onvermijdelijk dat het alledaagse geweld op televisie, film, video en computer nu opnieuw op de korrel wordt genomen. De films over seriemoordenaars, de spelletjes over het aan flarden schieten van mensen en dieren, en de popmuziek over moord en doodslag maken het voor ouders, leraren en andere volwassenen steeds moeilijker om te herkennen of een tiener meedoet aan een onschuldig modeverschijnsel, danwel vervreemdt van de werkelijkheid en afdrijft naar een gevaarlijke fantasiewereld.

Is het al een reden tot zorg als iemand dweept met de populaire popster Marilyn Manson, die zich heeft vernoemd naar de massamoordenaar Charles Manson (die ondermeer de dood van actrice Sharon Tate op zijn geweten heeft)? En wat als je zoon bezeten raakt van computerspelletjes die hem aanmoedigen met kreten als Kill, Kill, Kill? Of als hij voor de twintigste keer op zijn kamer naar Oliver Stone's film Natural Born Killers kijkt? De ouders van drie slachtoffers van een eerdere schietpartij, op een school in Paducah (in Kentucky) hebben 25 mediabedrijven (waaronder TimeWarner, Sony en Polygram) aangeklaagd voor 130 miljoen dollar, omdat de scholier die hun kinderen vermoordde zegt dat hij geïnspireerd was door bepaalde films en videospelletjes.

Maar het is niet alleen de jeugdcultuur die van geweld doortrokken is. Dood en verderf zijn vaste ingrediënten van onze dagelijkse portie nieuws en vermaak. Op het Amerikaanse avondnieuws is de aandacht die aan moorden wordt besteed tussen 1993 en 1996 ruim verzevenvoudigd. Van de elf films die in Amerika op video uitkwamen in de twee weken voor het drama in Littleton, hadden er zeven geweld als voornaamste thema.

24-UURSTELEVISIE

Amerika is hevig geschrokken van het bloedbad in Littleton, maar niet omdat het iets nieuws was. Sinds eind 1997 hebben er zeven dodelijke schietpartijen op Amerikaanse scholen plaatsgevonden. Het aantal is al jaren min of meer constant, maar dankzij de 24-uurs-televisie hebben de drama's de afgelopen jaren veel meer aandacht gekregen dan vroeger.

De intensieve berichtgeving over de dramatische incidenten heeft haar uitwerking niet gemist. Veertig procent van de Amerikaanse scholieren denkt nu volgens een recente opiniepeiling dat iets dergelijks ook op hùn school kan gebeuren, dat er ook op hun school kinderen ernstig genoeg in de war zijn om tot zo'n actie over te gaan. In feite is die kans nog altijd bijzonder klein. Maar Amerikaanse scholen zijn geen vrijplaatsen. Zo heeft 32 procent van de scholieren wel eens een medescholier horen zeggen dat hij iemand zal vermoorden. En een vijfde kent leeftijdgenoten die wel eens een vuurwapen mee naar school nemen.

Wat voor conclusies uit deze cijfers getrokken kunnen worden is niet helemaal duidelijk - want tachtig procent van de scholieren zegt zich op school toch betrekkelijk veilig te voelen. Voor veel Amerikanen zijn de recente gebeurtenissen voldoende reden om extra op hun hoede te zijn. Steeds meer scholen gaan zich opstellen als luchtvaartmaatschappijen: grappen over vuurwapens en bommen worden niet meer geduld. Duizenden scholen organiseren cursussen conflictbeheersing. En steeds meer ouders vragen zich af of ze hun tieners wel echt kennen, en nemen hun toevlucht tot afluisterapparatuur om te achterhalen of ze niet heimelijk iets gevaarlijks uitspoken.

Ondertussen vindt er ``iedere dag een Littleton'' plaats in Amerika, in de woorden het internet-tijdschrift Salon. Gemiddeld komen er in Amerika bijna twaalf kinderen per dag door vuurwapens om het leven, evenveel als Harris en Klebold er vermoordden. Alleen gebeurt dat in 99 procent van de gevallen niet op school.