Tale Kanaäns

In Asjkelon, 20 kilometer ten noorden van Gaza aan de Middellandse Zee, is een fragment van een kleitablet gevonden uit de dertiende eeuw voor Christus. Het gaat om een unieke meertalige schooltekst met Kanaänitische, Proto-Hebreeuwse woorden.

VORIG JAAR november vond de Leidse assyrioloog dr. Wilfred van Soldt in zijn post een brief van een collega uit Harvard, John Huehnergard. Hij bevatte een weergave van een fragment van een kleitablet uit de dertiende eeuw voor Christus dat de Leon Levy-expeditie in juli 1997 had gevonden in Asjkelon, 20 kilometer ten noorden van Gaza aan de Middellandse Zee. Eén spijkerschriftteken, dat een aantal malen voorkwam, had de Amerikaan nog niet kunnen thuisbrengen. Of Van Soldt er raad mee wist. Van Soldt: ``Ik heb me er nog diezelfde middag over gebogen en tot mijn stomme verbazing was ik er in een uurtje uit. Omdat ik ervaring heb met Middel-Babylonische teksten uit die tijd, herkende ik dat teken. Gewapend met die kennis zag ik aan de linkerkant woorden waarvan ik dacht: dit is Kanaänitisch, een unieke vondst. Ik heb direct naar Harvard gebeld. Aan de andere kant van de lijn was het na mijn uitleg een paar minuten stil, maar de volgende dag kreeg ik van Huehnergard een enthousiast emailtje met de boodschap dat ik wel eens gelijk kon hebben. In mei verschijnt ons artikel in Israel Exploration Journal. Vaak gaan daar jaren overheen maar de Israeli's vonden het zo interessant dat ze het met voorrang opnemen.''

Asjkelon, een van de vijf Filistijnse steden, is een oude havenplaats die al in Egyptische teksten uit de 19de eeuw voor Christus opduikt. Ook staat de stad vermeld in de Amarna-brieven, genoemd naar de Midden-Egyptische plaats waar koning Achnaton in de veertiende eeuw voor Christus zijn nieuwe hoofdstad stichtte. Eind vorige eeuw werd daar een groot aantal kleitabletten gevonden. Het ging om brieven van Babylonische en Hittitische koningen, en ook van lokale vorsten, gericht aan de Egyptische koning. De voertaal daarbij was het Akkadisch, een Semitische taal. Van Soldt: ``De Amarna-brieven geven een goed beeld van het leven in Palestina en Syrië in die tijd. Egypte had toen bezittingen in Voor-Azië. De provincie Kanaän bestond uit drie gebieden, samen zo'n beetje het huidige Israel en Libanon, met aan het hoofd van ieder stuk een gouverneur. De locale vorsten die onder hun gezag stonden wilden onderling nog wel eens bakkeleien. Zo'n gouverneur schrijft dan bijvoorbeeld aan de koning van Egypte, na het inachtnemen van de voorgeschreven titulatuur: `Ik word belaagd door de buren, mijn kooplieden zijn beroofd, dat kan zo niet langer, help me toch.' Maar in principe bemoeiden de farao's zich er pas mee als er Egyptische belangen in het geding waren.''

ONGEBAKKEN

Het in 1997 gevonden stukje kleitablet meet 5,2 bij 4,7 centimeter en was ongebakken. De achterkant (of voorkant) is zo beschadigd dat niet valt uit te maken of hij beschreven is geweest. Het tablet is gevonden door de Leon Levy-expeditie, die onder leiding van Harvard-archeoloog Lawrence Stager in de Kanaänitische hoofdstad sinds 1985 ieder seizoen opgravingen verricht. Het fragment dook op uit een mandje met scherven, zodat de precieze context ontbreekt. Van Soldt: ``Dat klinkt knullig, maar zoiets komt voor. Zo zijn in Ugarit, aan de Syrische kust, op de stortplaats ettelijke tabletten gevonden die blijkbaar bij het opgraven over het hoofd waren gezien.''

Niettemin is het Asjkelon-tablet vrij goed te dateren. van Soldt: ``Zowel de stijlkenmerken van het omringende aardewerk als het gebruikte spijkerschrift wijzen op de Late Bronstijd, de dertiende eeuw voor Christus, iets voor het begin van de Bijbelse Israelitische periode. Of het tablet ter plekke is gemaakt of door iemand naar Asjkelon is meegenomen, valt niet uit te maken. Wel is de klei afkomstig uit de Shephelah, het laagland dat zich uitstrekt van de voet van de bergen van Jeruzalem tot de kust.''

Het bijzondere van het tablet is dat het om een meertalige lexicale tekst gaat zoals die in het Mesopotamische onderwijs werden gebruikt. Ambtenaren in de dop kopieerden ze om zo de termen uit het hoofd te leren die ze bij het uitoefenen van hun latere beroep nodig hadden, bijvoorbeeld het opstellen van contracten. Van Soldt: ``Het begin van alle wijsheid was het Sumerische teken, geschreven in spijkerschrift. Vaak zijn die schoolteksten tweetalig: een kolom met Sumerische tekens – in die tijd al eeuwen een dode taal – en daarachter de betekenis in Akkadische lettergrepen. Buiten Mesopotamië zelf is bovendien een enkele keer een kolom in de lokale taal toegevoegd, bedoeld voor de minder gevorderde leerling. Juist die toevoeging maakt het Asjkelon-tablet uniek: het bevat een kolom in het Kanaänitisch. Dat is een Noordwest-Semitische taal, sterk verwant aan het Akkadisch en een oudere taalfase van het Hebreeuws van de Bijbel. Soortgelijke tabletten kennen we al uit Ugarit maar het Ugaritisch wijkt aanzienlijk af van het Hebreeuws.''

Het probleem met de duiding van het Asjkelon-tablet was dat het maar om een klein fragment ging. Van Soldt: ``Zo'n beetje halverwege lopen twee vertikale strepen. Rechts daarvan zie je een kolom Sumerisch. Van 8 regels is alleen het beginteken zichtbaar, de rest is weg. Op de bovenste regel na gaat het steeds om het UGU-teken. Deze serie begintekens kennen we van een Mesopotamische standaard schooltekst, de zogeheten HAR-ra – hubullu. Die werd ook in het westen gebruikt, getuige vondsten in Emar in Noord-Syrië en in het Ugurit aan de Syrische kust.''

Nadat de rechterhelft van het tablet aldus was geïdentificeerd was het zaak uit te zoeken op welk deel van de HAR-ra – hubullu de linkerhelft betrekking had. Dat kon verderop in deze schooltekst staan of juist daarvoor, afhankelijk van het gegeven of de voor- of achterzijde van het tablet bewaard was gebleven. Om verder te komen moest Van Soldt eerst achter de betekenis komen van het teken waar Huenergard op stukliep: een winkelhaak gevolgd door twee horizontalen en opnieuw een winkelhaak. ``Voor de hand ligt om na te gaan of hetzelfde teken soms voorkomt in brieven. Yidya, de toenmalige koning van Asjkelon, heeft er zeven naar de farao geschreven die in de Amarna-collectie bewaard zijn gebleven. Die brieven zijn in een bedorven soort Akkadisch: de uitgangen deugen niet en soms slingert de koning er een compleet woord uit de lokale taal tussendoor. Maar voor zover uit de kopieën valt op te maken, komt het teken er niet in voor.''

WINKELHAKEN

Dat is wel het geval in Babylonische teksten uit die tijd, zij het in een oudere variant bestaande uit vier winkelhaken. Daarmee had Van Soldt het mysterieuze teken geduid. ``Er bleek in een aantal regels het woord ia-ar-hi te staan, wat geen Akkadisch is. Dus zou het weleens een Kanaänitisch woord kunnen zijn. Dan dient zich direct yarhi aan, de genitief van het ons welbekende Noordwest-Semitische woord yarhu, oftewel `maand'. Dus ben ik in de HAR-ra – hubullu gaan zoeken naar een serie die begint met `maand' en vervolgt met ermee geassocieerde termen die de klerk nodig had om contracten te kunnen schrijven. Die bleek inderdaad te bestaan, en wel op een plek iets voor de sectie met de UGU-tekens – waaruit volgt dat de Asjkelon-tekst de voorzijde van het tablet betreft.''

Aldus heeft Van Soldt de linkerhelft van de tekst kunnen reconstrueren, nog een hele puzzel. Na `maand' volgen `binnen een maand', `tot het begin van de maand', `tot het eind van de maand', `dag van het rennen', `nieuwe maan' en `nieuwjaar'. Daarbij moet bedacht worden dat de woorden voor `maan' en `maand' identiek waren. Het gaat om Proto-Hebreeuwse woorden die je later meestal (maar niet altijd) in de Bijbel terugvindt. Van Soldt: ``Daarvan kennen we er maar enkele tientallen, dus deze aanvulling is zeer welkom.''

JAMMER

Waarschijnlijk hebben op het volledige tablet ook kolommen in het Akkadisch gestaan, tussen het Sumerisch en Kanaänitisch in. Van Soldt: ``Dat is dus weg en dat is jammer, want in de fouten in het Akkadisch verraadt zich vaak de herkomst van de leraar. Wat we hebben is een klein fragment uit het midden, het hele tablet moet zo'n beetje ons huidige A4-formaat gehad hebben, opgebouwd uit 23 kolommen. De complete HAR-ra – hubullu schooltekst omvat in deze tijd 15 tabletten. Alle zaken die je in de natuur om je heen ziet staan er in opgesomd. Het Asjkelon-tablet is nummer één in die reeks. Als je zo'n tekst vindt denk je: er is een school geweest, dus moet er veel meer zijn, wanneer gaan we verder met graven? Tegelijk maakt zo'n enkele vondst je wat huiverig: misschien is het tablet elders geschreven en naar Asjkelon meegenomen. Dat er een kolom Kanaänitisch op voorkwam is een zwaktebod: de gevorderde leerling werkte met kleitabletten met alleen Sumerisch, de rest kende hij uit zijn hoofd. De leraar kende alles uit het hoofd en hoefde dus, op zoek naar een school die hem wilde huren, niet met een koffertje tabletten rond te reizen.''

De Bijbel noemt het Hebreeuws een keer `de tale Kanaäns' (Jes 19:18). Van Soldt: ``We weten inmiddels dat de taal die voor de komst van het volk Israel in Kanaän werd gesproken echt de voorloper van het Hebreeuws was: je ziet bepaalde klankovergangen die typerend zijn voor het Hebreeuws. Dat betekent dat het volk Israel niet in de dertiende eeuw voor Christus en bloc uit het Egypte van Ramses II of een van zijn opvolgers gekomen kan zijn, zoals het exodusverhaal zegt. Anders zouden ze hun taal hebben meegenomen en had het Hebreeuws minder op het Kanaänitisch moeten lijken. Wat tegelijk speelt zijn de rondtrekkende chabiru, migranten die van hun stam waren vervreemd. Zo schrijft de koning van Jeruzalem herhaaldelijk aan de farao dat hij belaagd wordt door de koning van Sichem, die dergelijke elementen als huurlingen gebruikte. Er was dus al onrust en destabilisatie, die rond 1200 voor Christus met de komst van de zeevolkeren een enorme vlucht nam. Uit een samengaan van de inheemse bevolking met de chabiru's – wellicht de Hebreeën uit de Bijbel – en nieuwkomers zijn een paar eeuwen later de koninkrijken Juda en Israel ontstaan.''