Tachtigduizend brandganzen

Het Lauwersmeer heeft zich stilletjesaan ontwikkeld tot een spectaculair vogelparadijs. Binnenkort wordt het een Nationaal Park.

VLAK BUITEN het Lauwersmeer, in een weitje achter de dijk, zitten honderden zwart-witte ganzen smakelijk van het malse voorjaarsgras te eten. ``Het zijn de laatste brandganzen,'', zegt opzichter Sies Krap. ``'s Winters zitten er hier zo'n 30 à 40.000 en op echte topdagen in december wel 70 of 80.000. Maar de meeste zijn al weer onderweg naar het hoge noorden.''

Het Lauwersmeergebied is zo'n 9.000 hectare groot. Meer dan de helft is natuurgebied, sinds 1993 door Staatsbosbeheer beheerd. Een mozaïek van open en gesloten terrein, met kleine wilgenbosjes en zandplaten, slenken en grazige stukken.

Vanwege zijn enorme vogelrijkdom is het Lauwersmeer zojuist aangewezen als Nationaal Park in oprichting. ``Binnen drie jaar moet de zaak rond zijn'', zegt Krap. ``We hopen in elk geval meer hulp te krijgen bij het toezicht op de vele recreanten.''

Het gebied heeft zich spectaculair ontwikkeld sinds de vroegere Lauwerszee dertig jaar geleden werd afgedamd. Sies Krap weet het nog precies. ``De dijk ging op 24 mei 1969 dicht, de koningin kwam, het was heel bijzonder. Toch waren er ook toen al tegenstanders, met name uit de natuurbeschermingshoek.''

Plannen voor de inpoldering stamden al van eind 19de eeuw. Krap: ``Vooral aan de oost- en zuidkant was de oude Lauwerszeedijk erg laag. De Waddenzee lijkt kalm, maar bij windkracht acht of negen uit het noordwesten ken je hem niet terug.'' Krap kan het weten. Hij groeide op aan de Friese Waddendijk, in St.-Jacobiparochie. ``Bij storm spatten de golven over de dijk heen, het schuim vloog je om de oren.''

Toen de deltadijk dicht was, was het zoute water binnen twee maanden uit het Lauwersmeer verdwenen. Zowel Friesland als Groningen lozen hun boezemwater via dit binnenmeer op de Waddenzee. Bij eb gaan de spuisluizen in de dijk open. Krap: ``Het land is veel langzamer verzoet. Nog steeds zijn er zilte, venige hoekjes met zeekraal en schorrenkruid.''

In het nieuwe land ging de voormalige Rijksdienst voor de Inrichting van de IJsselmeerpolders (RIJP) voortvarend aan de slag. Er kwamen paden door de slikkige blubber en greppels om de grond te ontwateren en te laten rijpen. Grote delen waren voor akkerbouw bestemd, er lagen plannen voor een bungalowpark en ook zou er een militair oefenterrein komen. ``Maar geleidelijk zijn de inzichten veranderd'', zegt Krap. ``Om te beginnen bleek de voormalige zeebodem veel zanderiger dan gedacht. Bovendien nam de vraag naar landbouwgrond in de jaren zeventig geleidelijk af en de behoefte aan natuur juist toe.''

In 1988 werd een nieuwe inrichtingsschets geschreven, waarbij het hart van het Lauwersmeergebied de bestemming natuurterrein kreeg. Krap: ``Sommige ontginners hadden daar moeite mee en dat kan ik me goed voorstellen. Het defensieterrein werd ingeperkt tot zo'n 2.000 hectare, met tankbanen en een schietterrein.'' Volgens Krap valt de verstoring nogal mee. ``Alleen door de helikopters worden de vogels telkens weer opgeschrikt.''

De vroegere zeebodem bestaat uit grillige slenken en op dat ondiepe water komen ontzaglijk veel vogels af. Brandganzen, kolganzen, grauwe ganzen en rietganzen komen hier overwinteren. Ook grutto's, kemphanen, kluten en andere steltlopers doen het gebied op doortrek aan. Er broeden bijzonderheden als baardmannetjes en blauwborstjes. De sprinkhaanrietzanger tjirpt en ook de blauwe, de bruine en de grauwe kiekendief zijn present. In totaal broeden 100 vogelsoorten in het Lauwersmeer.

Nu de Waddenzee niet meer tweemaal daags over de zandplaten stroomt, raken die uitbundig begroeid. Er kwam steeds meer riet en in de droge zomer van 1976 kiemden de eerste wilgen. ``Zonder ingrijpen zou het gebied vanzelf dichtgroeien met bos'', zegt Krap. ``Om het open te houden voor de vogels werden al in 1977 schapen uitgezet. Maar dat was geen succes, ze werden ziek in de drassige grond. Vervolgens werden pinken en paarden ingeschaard, 1 mei erin en 1 november er weer uit. Maar het bos bleef groeien.''

In 1989 werd begonnen met jaar-rond-begrazing door grote `wilde' grazers. Er lopen nu zo'n 100 koniks en 150 Schotse Hooglanders. Anders dan in de Oostvaardersplassen, waar de grote grazers zichzelf moeten redden en 's winters soms veel sterfte optreedt, worden de dieren in het Lauwersmeergebied in barre tijden bijgevoerd. De wintersterfte is laag. Krap: ``We hebben veel contact met de collega's uit de Oostvaardersplassen en het is interessant om te zien hoe die dieren het daar doen, maar ik ben blij dat in ons gebied een andere keus is gemaakt. Onze koeien vallen rechtstreeks onder de Veewet. Ze hebben oormerken in en er wordt regelmatig bloed getapt door dierenartsen ter controle.''

Anders dan in de Oostvaardersplassen, waar de koniks één grote kudde vormen, leven ze in het Lauwersmeer in afzonderlijke groepen. Ze hebben zich al in de begindagen opgesplitst in kleine haremgroepjes met 10 tot 15 merries, en groepjes jonge hengsten. Krap: ``Die groepen zien elkaar, maar houden toch afstand en vechten niet onderling. Binnen de groepen is wèl veel onrust, ook al omdat de geslachtsverhoudingen 1 op 1 zijn. Elke hengst probeert natuurlijk om een merrie te veroveren en soms gaat het keihard toe. Van een jonge, onervaren merrie wordt wel eens een pasgeboren veulen vertrapt.''

In het zuiden, op de zware klei, zijn de meeste bossen. Sommige zijn aangeplant, de vlier verscheen vanzelf. Het noorden houdt men open en grazig voor de vogels. Naast de `wilde' grazers lopen er 's zomers ook jongvee van boeren uit de buurt. Verder eten ook de ganzen veel riet. Op sommige zandplaten loopt geen vee, want die verdwijnen een paar maal per jaar onder water. Bij extreem harde Noordwestenwind moeten de spuisluizen naar de Waddenzee ook bij eb gesloten blijven. Dan stijgt het waterpeil in het Lauwersmeer al snel een meter boven normaal en steekt aleen nog een enkele boomtop boven de golven uit.

Het peilbeheer, nu nog in handen van Rijkswaterstaat en straks een provincietaak, geeft discussie. Krap: ``Staatsbosbeheer wil graag meer dynamiek. Voor de natuur zou het mooi zijn als het hoogwater langzamer wegstroomt en niet binnen 12 uur verdwenen is. Ook zouden we 's winters graag een hoger peil zien dan 's zomers. Dat staat haaks op het standpunt van de Friese waterschappen, die op het Lauwersmeer hun overtollige boezemwater lozen. De Friezen zijn aangewezen op vrije afstroming en zien daarom graag een laag winterpeil in het meer. De Groningers kunnen een gemaal inschakelen, al kost dat extra geld. Voorlopig zie ik dat peilbeheer niet veranderen.''

Nog meer dynamiek zou ontstaan door ook bij vloed de spuisluizen eens open te zetten om zout water in te laten. Krap: ``Rapporten van Rijkswaterstaat geven aan dat de zout-zoet-grens op veel plaatsen onnatuurlijk scherp is. Het verzachten van die overgang is ook gunstig voor de visstand. Sommige boeren vinden het absurd, eerst die zee inpolderen en dan weer die sluizen openzetten!'' Zelf denkt hij dat de schade nogal mee zou vallen omdat er zoveel zoet water door het Lauwersmeer stroomt.

Vroeger werd op de Lauwerszee veel op garnalen gevist. Garnalenvissers voeren vanuit Zoutkamp de Waddenzee op. Nu is er een nieuwe vissershaven gekomen bij Lauwersoog en zijn er nog maar drie beroepsvissers op het meer. Ze vissen op zoetwatergarnaaltjes en op de bot, oorspronkelijk een zeevis, maar inmiddels helemaal aangepast aan het leven in het zoete water. Het Lauwersmeer is voor de watersporters en vooral ook voor de vogels. Krap: ``Ook lepelaars foerageren hier veel. In het najaar staan ze met honderden in het ondiepe water te slapen op één poot. In 1983 hebben ze hier gebroed, maar vanwege de vossen kwam daar niets van terecht. Nu broeden ze op de Waddeneilanden. Het is een lastige discussie, maar voor ons hoort die vos er ook bij. Er wordt hier niet gejaagd en het gaat hartstikke goed met dit gebied!''