Klokkenluider op platgetreden pad

De klokkenluider van de Notre Dame draagt ditmaal geen bochel. Hij is een muizig kereltje met een schreefgetrokken mond en een uit het lood hangend postuur, dat telkens door zijn in maillot gehulde spillebeentjes zwikt en lijkt te waggelen op klompvoeten. Alleen als hij een pas de deux met de schone Esmeralda mag dansen, trekt zijn gestalte iets rechter. Verder scharrelt hij door de naar hem genoemde musical van Opus One heen als een nar zonder zotskap. En erg dramatisch is hij in elk geval niet.

De vorige voorstelling van Opus One, het als dansgezelschap begonnen ensemble dat nu succes boekt met familievoorstellingen die zo'n 150 keer per jaar worden gespeeld, was de musicalbewerking Ollie B. Bommel en Tom Poes in De Trullenhoedster – onweerstaanbaar charmant, lichtvoetig en humoristisch. Maar de nieuwe productie, de lidwoordloze Klokkenluider van de Notre Dame, is heel anders. Hier haken de makers naar de internationale musicalstandaard van Les Misérables en The Phantom of the Opera met breed uitgesmeerde tragiek op smeltende muziek. Dat vergt pathos, bluf, hoog oplaaiende stemmen, doortrapte effecten en schaamteloze dramatiek.

John Yost, die het epos van Victor Hugo bewerkte en regisseerde, plaatst de tragedie van de gebochelde en het zigeunermeisje echter in het kader van een zigeunerfeest, waar het verhaal tien jaar na dato nog eens wordt nagespeeld. De zigeuners – dieven en kinderrovers in fleurig oranjebruin – verdelen de rollen en doen alsof ze de personages zijn. Maar omdat ze verder braaf in die rollen blijven, verliest de voorstelling prompt het karakter van een vrolijk toneelstukje binnen de show. Al gauw blijkt Yost dus toch op geloofwaardigheid te mikken. En daarvoor ontbreekt het hem aan spelers die hun figuren waar kunnen maken. Het vijftienkoppige ensemble werkt zich zichtbaar enthousiast door de enscenering heen, maar markante acteurs staan er niet tussen.

Tekst en muziek helpen trouwens evenmin. De zangteksten van Coot van Doesburgh wemelen van moeizame zinsconstructies, rijmdwang en regels die op het eerste gehoor volstrekt onbegrijpelijk zijn (`zonder al die loze / leugens die de mensen / altijd wensen / in hun argwaan / altijd weer beloftebreuken'). Op de geluidsband klinkt daarbij de muziek van Ton Scherpenzeel als het epigonisme dat de hele show kenmerkt: clichématige cabaretdeuntjes, quasi-menuetjes en een paar pogingen tot bombast, waaraan steeds de climax ontbreekt, zodat ze nogal plompverloren eindigen op een effectloze noot. Het enige nummer dat even een vonkje doet overslaan, doet sterk denken aan de revolutiemars uit Les Misérables.

Zo verloopt bijna alles in deze Klokkenluider langs paden, die allang door de internationale musicalsector werden platgetreden. Alleen in de pauzefinale fonkelt even iets van een eigen idee. Daar hebben de klokken van de Notre Dame de gedaante van ballerina's aangenomen, die in stijlvolle jurken en een energieke choreografie laten zien dat Opus One ooit is begonnen met ideeën over moderne dans. Daarvan is verder niets meer te bekennen; ze zijn ingeruild voor een bleke kopie van wat elders allang beter is gedaan.

Voorstelling: Klokkenluider van de Notre Dame, door Opus One. Bewerking en regie: John Yost. Teksten: Coot van Doesburgh. Muziek: Ton Scherpenzeel. Spelers: Frans Schraven, Iboya Triz, Roberto de Groot, Hans van der Heijden, e.a. Gezien: 27/4 in Figi-theater, Zeist. Tournee t/m mei 2000. Inl. (020) 6125034.