Kaapse waterlelie

Mij voorgenomen hebbend nooit naar de televisieprogramma's van Sophie Grigson over koken met kruiden te kijken - de hemel weet waarom eigenlijk, maar zo is dat nu eenmaal - viel ik per ongeluk midden in zo'n uitzending. Ik was onmiddellijk gebiologeerd door de aanblik van Grigson terwijl ze door de daslook waadde. Het bedekte volledig de grond in een bos met brede bladeren en witte stervormige bloemen, een ongelofelijk gezicht. Ze plukte een paar van die bladeren - ze noemde het `wild garlic' - en wikkelde er forel in, precies het soort koken waar ik mij nooit aan zal bezondigen. Misschien is dat de reden waarom ik er niet naar wilde kijken. Maar ik ging wel meteen de tuin in om een blad van onze daslook te onderzoeken, Allium ursinum in het Latijn; ik had nooit gedacht dat 't eetbaar was. Als je het eenmaal weet ligt het wel voor de hand, het is tenslotte een naaste verwant van bieslook (Allium schoenoprasum), knoflook (A. sativum) en ui (A. cepa).

Het smaakte behoorlijk knoflookachtig voor een in Noord-Europa inheemse plant die op zulke donkere en onherbergzame plaatsen groeit, maar ik denk toch dat ik het liever in de tuin heb dan in de keuken. In de tuin weet ik niets dat er voor in de plaats kan komen: geen andere plant groeit zo gewillig in droge schaduw, bloeit zo uitbundig en mooi, of zaait zichzelf zo overdadig uit. In de keuken daarentegen hebben we al echte knoflook, wie zit er op een surrogaat te wachten? Maar toch, het proeven van het blad herinnerde mij aan hoe ik destijds de daslookbollen kocht en hoe sterk ze roken in de auto naar huis.

Ik zocht het op in een oud standaardwerk, Flowers of the Field van C.A. Johns, het lievelingsboek van Gertrude Jekyll, en ontdekte dat hij het breedbladige knoflook noemt, of `Ramsons', en hij voegt er aan toe dat ,,de stank van de hele plant ondragelijk'' is. Zo veranderen de smaken: de Eerwaarde Vader Johns zou zijn forellen vermoedelijk niet graag in Ramsonbladeren gewikkeld willen hebben. Er zijn planten die zo sterk ruiken dat ze hele stukken van de tuin geurig maken, zoals keizerskroon of buxus, maar zo erg is daslook niet. De geur van één bol in de hand is erger dan van tien in de grond.

Pas toen ik Aponogeton distachyos in de boeken opzocht ontdekte ik dat het ook een geurende plant is. Maar door daslook waden is wel gemakkelijker: Aponogeton is een waterplant, hier bekend als de Kaapse waterlelie, en om haar geur te kunnen opsnuiven zou je eigenlijk de vijver in moeten. Ik deed het zo goed mogelijk vanaf de kant, en rook een vrij zware zoete geur, volgens de boeken iets als vanille. Geen voldoende beloning voor een bad in de vijver.

Maar verder is deze Aponogeton een uitmuntende plant, het water-equivalent van de daslook. Ook zij is bereid in minder dan perfecte omstandigheden te bloeien: bijna alle waterplanten - waterlelies e.d. - willen volle zon, maar Aponogeton gedijt ook in halfschaduw. Onze planten zijn nu in hun derde jaar, en na een langzame start bloeien ze nu allebei uitbundig. Eén begon zelfs al in de winter, waarschijnlijk omdat die zo mild was. Hun bladeren zijn langwerpig en beginnen hun leven roze-bruin gekleurd; ze drijven op het water. De bloemen zijn wit en rijzen uit het water op als een juskom, of een omgekeerde steek van wit papier, met de uiteinden hoger dan het midden. Hun hart is zwart en ze zien er exotisch uit. Soms zie je ze even trillen - dat komt niet door de wind, maar doordat er beneden een vis voorbijzwemt.

In tegenstelling tot de echte waterlelie lijkt het de Aponogeton weinig te kunnen schelen hoe diep zij geplant wordt. Zij kan de kweker belonen door zich uitbundig uit te zaaien en de hele vijver in bezit te nemen. Maar dat is karakteristiek voor sommige planten die het in de schaduw net redden - ook daslook is er zo een - maar onder gunstiger omstandigheden worden ze opeens onstuitbaar. In dat geval is het aanbevelenswaardig de uitgebloeide bloemen af te knippen voor ze de kans hebben gekregen om zaad te vormen. Waterslakken houden ervan, schijnt het, en kunnen hele planten opeten; dat is tenminste een plaag die aan onze deur voorbij is gegaan.

De Kaapse waterlelie komt zoals haar naam al doet vermoeden uit Zuid-Afrika. Er zijn in Afrika en Australië vele soorten. De naam Aponogeton komt daarentegen uit Italië en hoort eigenlijk helemaal niet bij deze plant. Het is een zonderlinge geschiedenis. Die begint met een Italiaanse botanicus, Giulio Pontedera, professor in de plantkunde in Padua, die een naam bedenkt voor een waterplant die werd gevonden bij Bagni d'Abano. Hij noemde het Aponogeton: Apono van Aquae Aponi, zijnde de naam van die plaats in de Romeinse tijd (er waren geneeskrachtige bronnen), en geitoon, het Griekse woord voor buur. Allemaal heel logisch, ware het niet dat deze plant later herdoopt werd tot Zannichellia, zodat de naam Aponogeton beschikbaar kwam en gegeven werd aan onze Kaapse waterlelie met al haar vrienden en verwanten, die ongeveer evenveel te maken hebben met Aquae Aponi als dashond met daslook. Iemand moet gedacht hebben: zonde om zo'n mooie naam niet te gebruiken.

Zowaar, ook Aponogeton is eetbaar. Frances Perry geeft er een recept voor in Water Gardening, maar het recept heeft iets twijfelachtigs: de bloemen - of de knollen, de tekst is niet erg duidelijk - koken en laten uitlekken, verwarmen in boter, daarna langzaam gaarkoken met eieren vermengd met azijn. De bloemen kunnen ook gepekeld worden. Dat is inderdaad, zoals Frances Perry oppert, een praktische bestemming voor de afgeknipte bloemen, maar ik zie het mezelf nog niet doen. Je moet voor zulke gerechten een sterke maag hebben, het zijn dingen die door de Schepper niet bedoeld waren om gegeten te worden. John Gerard wist dat al in 1597, toen hij over daslook schreef: ,,Its leaves may very well be eaten in April and Maie with butter, of such as are of a strong constitution, and laboring men.''