Juffrouw Van Meurs

Indien ik Tilly niet was tegengekomen, had ik het nooit van dat opstel geweten en had ik nooit contact gezocht met mijn vroegere onderwijzeres, juffrouw Van Meurs. Zoals gewoonlijk wanneer ik late dienst had op de mantel- en japonnenafdeling van Wisbrun en Lifmann, kwam ik van het eindpunt van lijn zes gehaast aanlopen om tussen de middag thuis te eten, toen ik Tilly voor onze deur in de Rodenrijsestraat tegen het lijf liep en met stijgende verbazing het verhaal aanhoorde over haar jongste zusje, dat nu bij Van Meurs zat en voor haar eindexamen een opstel had moeten maken naar precies dezelfde plaat die ons destijds als onderwerp was opgegeven. Bovendien had zij erbij verteld dat Van Meurs het mijne onder vermelding van mijn naam voor de klas had voorgelezen, hetgeen zij volgens haar zeggen elk jaar deed.

We stonden onder de jonge acaciaboompjes die in broze waaiers van groen waren uitgebot, en terwijl Tilly haar relaas verder toelichtte, schoof voor haar onbevangen gezicht de plaat van de scheurkalender met de zwanen, die als twee witte tweeën onder de berijpte guirlandes van een treurwilg in de opengehakte bijt van een bevroren vijver dreven. Ik kreeg een negen voor dat opstel, een cijfer dat om principiële redenen nog nooit was gegeven op onze strenge meisjesschool.

In een opwelling van dankbaarheid schreef ik juffrouw Van Meurs over mijn ontmoeting met Tilly en vertrouwde haar toe dat ik dankzij haar het stoutmoedige plan had opgevat mij aan het schrijven van verhalend proza te gaan wijden, waarop ik per kerende post de uitnodiging kreeg de komende zondag bij haar te komen theedrinken.

Het eerste dat ik gewaarwerd toen de deur openging, waren drie sneeuwwitte hoofden in het trapgat, waarvan één mij verzocht boven te komen. Op het moment dat ik tegenover de vrouwen in de gang stond en juffrouw Van Meurs mij aan haar zusters voorstelde, overviel mij het oude gevoel van onzekerheid dat ik altijd voor schooljuffrouwen had gehad en was ik opeens weer de verlegen leerling. Het bleek de bedoeling te zijn dat zij zich met mij in haar kamer op de tweede verdieping terugtrok, die er met het glanzende parket, de Perzische tapijtjes, bloeiende planten en antieke meubelen even onberispelijk uitzag als zijzelf, en ik herkende weer de gedecideerde klank in haar stem toen ik in de kleine fauteuil bij een tafeltje met een blad theegerei plaats moest nemen en zij informeerde hoe het mij na mijn schooltijd was vergaan. In een behoefte mijn hart te luchten vertrouwde ik haar toe dat ik wegens de moeilijke crisisjaren niet alleen gedwongen was geweest verschillende baantjes aan te nemen, maar ook iets extra's had moeten verdienen door als dansmeisje mee te doen aan de revues van mijn vader, die ik bovendien in Sinterklaastijd als Zwarte Piet assisteerde. Evenmin vergat ik de kwelling van de avondschool te vermelden, waar ik genoodzaakt was mij, behalve in Duits en Engels, in stenografie en het onbegrijpelijke vak handelsrekenen te bekwamen.

Het gevolg van die zondagmiddag was dat er een eind kwam aan het avondonderwijs en dat ik een begin maakte met mijn wekelijkse bezoeken aan de Rozenburglaan in Kralingen. In de ruime, lichte kamer met het theegerei, en op het damesbureautje de vellen brailleschrift waaraan juffrouw Van Meurs in haar vrije tijd werkte voor een liefdadig doel, lazen we Ships that pass in the night en bespraken ter bevordering van mijn literaire aspiraties de boeken die ze mij leende: Armoede en Het spiegeltje van Ina Boudier-Bakker en Het geluk hangt als een druiventros van C. en M. Scharten-Antink.

Ook zorgde zij ervoor dat een zekere juffrouw Bouwmeester mij kosteloos in de Franse taal onderrichtte, hetgeen mij na afloop van de Engelse les naar de Avenue Concordia in de onmiddellijke nabijheid van de Rozenburglaan deed snellen, waar deze eveneens ongetrouwde dame van middelbare leeftijd met haar invalide moeder woonde.

Zoals vroeger in mijn dicteeschrift corrigeerde juffrouw Van Meurs mijn eerste verhalen, die ik dankzij haar aanmoedigende `negen' was gaan schrijven, en hoorde zij van mijn eerste liefde, met wie ik mij op mijn zeventiende verloofde. Het had haar goedkeuring niet kunnen wegdragen, en zij had opnieuw haar eerbiedwaardig hoofd geschud toen ik het met de verloofde uitmaakte en haar tijdens de theepauze bij het lezen van ons tweede boek, Daddy Longlegs, op de hoogte bracht van mijn kennismaking met Victor van Vriesland. Ik heb hem zelfs nog aan haar voorgesteld op de avond dat ik haar had uitgenodigd voor zijn lezing over Karel van de Woestijne, die hij op initiatief van de Rotterdamse boekhandel Bolle in het gebouw van Ulrich aan de Leuvehaven hield, en ik herinner mij hoe ik haar blik ontweek toen hij het gedicht `De meiskens uit de taveernen' citeerde, die een `malschen schoot' hadden.

Eenmaal getrouwd in Amsterdam, ben ik met juffrouw Van Meurs blijven corresponderen en haar alles blijven sturen wat er te hooi en te gras van mijn hand verscheen, tot ik het bericht kreeg dat zij na een kort ziekbed was gestorven. Het deed mij nog één keer naar het huis in de Rozenburglaan gaan, waar de zusters mij naar de vertrouwde kamer brachten, die zij `in ere hielden', getuige het glimmende parket en de frisse planten in de vensterbank, en het blad brailleschrift op het bureautje.

Terwijl ik ernaar keek, besefte ik dat ik na al die jaren eigenlijk niets van juffrouw Van Meurs wist en zij nooit over zichzelf had gesproken, al had ik mij meermalen afgevraagd hoe haar leven was gelopen; of ze ooit verliefd was geweest of wellicht een ongelukkige liefde had gehad. Ik zou het nooit weten, maar ik kreeg een vaag vermoeden toen de zusters mij als herinnering Ships that pass in the night meegaven, de weemoedige roman over liefde, dood en eenzaamheid. `Haar lievelingsboek', zeiden ze ernstig, en misschien was dat een teken dat in die richting wees.