Illegale jamfabriek verborgen achter een palmenplantage

Waarom geen huis aan de kust? En waarom dan niet meteen het zuiden waar je toch iedere zomer zit om de stof en hitte van Madrid te ontvluchten? De suggestie die een Spaanse vriend mij deed was lang zo gek nog niet. Waarom inderdaad geen huisje gekocht bij die kust waar het massa-toerisme tot dusver nooit een voet aan de grond kreeg vanwege de harde wind die er dagenlang kan waaien? Op een stukje land achter de heuvel met zijn dennenbossen en vergezichten over de nevelige zee tot aan de Marokkaanse kust. Zeekoorts, Slauerhoff. ,,Want de roep van de rollende branding, brekend op de kust/ Dreunt diep in het land in mijn ooren en laat mij nergens rust.''

De gemeente B. is een weinig aantrekkelijk maar sympathiek stadje bij de monding van de gelijknamige rivier. Vroeger werd er veel gevist, de tonijn is er nog steeds beroemd. Tegenwoordig wordt vooral veel geld verdiend met het binnensmokkelen van hasj. Men is er hartelijk en zit nooit om een sterk verhaal verlegen. Aannemers doen de laatste jaren goede zaken in het gebied rondom B. Als paddestoelen schoten de huizen er uit de grond. De smokkelaars investeerden hun miljoenen in protserige villa's, de mensen uit de grote stad lieten er hun vakantiehuisjes bouwen.

Land is er genoeg. Zoals de twaalfduizend vierkante meter van boer Luis, die op zijn oude dag ontdekt heeft dat hij de zaak maar beter kan verkopen dan alsnog zijn rug te breken op de aanplant van slakroppen. Maar mag er ook gebouwd worden, dat is de vraag. Luis kijkt me aan of ik niet goed wijs ben. ,,Ze bouwen hier overal als gekken. Waarom hier dan niet'', redeneert hij met ijzeren logica.

Het Technisch Bureau van de gemeente B. moet opheldering verschaffen. In het Bureau heerst een koortsachtige bedrijvigheid. Er wordt met documenten en landkaarten gezwaaid, groepjes mensen zitten geconcentreerd gebogen over bergen aan papier. Met onverwachte vriendelijkheid word ik te woord gestaan door een architecte. Achter haar rug hangt een vergeelde detailkaart van het gemeentelijk grondgebied. Of ik daar even aan wil wijzen waar het precies is, dat terrein van mij. Tevergeefs zoekt mijn vinger tussen zandpaden, bosschages en stroompjes naar een oriëntatiepunt.

Gewapend met een kopie van een landkaart verlaat ik het pand om de precieze locatie op te tekenen. Een vriend die de streek goed kent, helpt een handje. Voorthobbelend op het zandpad passeren we een imposant herenhuis in klassiek Andalusische stijl. ,,Kijk, dat hier is de marmelade-fabriek van de Duitsers'', grinnikt hij. Het lijkt helemaal niet op een fabriek. Dat klopt, er zit een hotel in. Dat van die marmelade was maar een excuus om een vergunning voor de bouw te krijgen, reageert mijn vriend. Dacht ik soms dat ze er bij de gemeente B. jam-inspecteurs op nahielden die langskwamen voor controle? Schaapachtig grinnik ik mee.

Als ik het dan toch officieel wil doen, is het beter iets op het land te verbouwen, suggereert een andere kennis. Palmen bijvoorbeeld. Het is decoratief, vergt weinig onderhoud en brengt op den duur veel geld op.

Terug bij het Technisch Bureau ontvouw ik mijn plannen. De grond die ik op het oog heb blijkt te vallen onder de categorie ,,niet bebouwbaar terrein met belang voor het milieu'', zegt de architecte terwijl ze plek op de vergeelde landkaart aanwijst. Dat betekent dat je minimaal vijf hectare grond nodig hebt. Of twee hectare, hoe zat het ook alweer. Een boek wordt opengeslagen. En nog een. Als het land afkomstig is uit boedelverdeling van een erfenis en als apart eigendom staat geregistreerd, zo melden de regels, dan kan het ook met minder oppervlak. Maar zeker is het niet.

Langzaam groeit het bureau dicht met het ene na het andere handboek. Het huis moet bedoeld zijn voor de exploitatie van het land, zeggen de wetten. Zoals herbebossing, met palmen bijvoorbeeld? Een interessante suggestie vindt de architecte. Het regionale milieuplan wordt erbij gehaald. Weer een boek. Artikel 28 zegt iets over herbeplanting, maar verwijst naar norm 38 lid 3 en die is niet geheel helder. ,,Joder , verdomme'', verzucht mijn architecte, terwijl ze boven de groeiende stapel in een hulpeloze lachbui schiet. ,,Wat is de grap'', vraagt hoofdarchitect Miguel, een besnorde man met een opgeruimd karakter. ,,Aha, dus je wilt een huisje bouwen op het land rond S.'' zegt hij luid. Van achter de verschillende bureau's wordt nu meegelachen. Zo'n goeie hebben ze vanochtend nog niet gehad.

Even later sta ik weer op straat, een illusie armer, maar twee aanvraagformulieren rijker. Als ik die invul, zo verzekeren ze op het Bureau, wordt alles haarfijn uitgezocht. ,,Nooit iets invullen'', waarschuwt de potentiële buurman in S. die even uitrust van het tegelzetten in zijn huis. Al anderhalf jaar timmert hij aan een imposante villa op een ander ,,niet bebouwbaar terrein met belang voor het milieu''. Het recept is volgens hem eenvoudig. Je begint met bouwen. Als ze het in de gaten krijgen, wat niet altijd hoeft, komt de politie en legt de bouw stil. Je betaalt een boete van een paar duizend gulden. En vervolgens bouw je gewoon verder. En na een jaar of vijf, als je met bonnetjes van gasflessen of telefoonrekeningen kunt aantonen dat het huis er al een tijd staat, stap je naar een notaris om de zaak te legaliseren. ,,Wie de officiële weg bewandelt'', waarschuwt hij, ,,haalt zich alleen maar onnodig veel problemen op de hals.''

De zeekoorts is getemperd door een koude douche van onduidelijke regelgeving. De beste kans maakt waarschijnlijk een jamfabriek verborgen achter een palmenplantage. Bonnetjes bewaren. Dat huis moet maar even wachten.