Er is niets tegen elitaire kunst

De staatssecretaris van Cultuur, Rick van der Ploeg, heeft sinds zijn aantreden de aanval ingezet op de tweedeling in de cultuur. Maar nieuwe ideeën lanceert hij niet, hij perverteert de oude, vindt Pieter Kottman.

In de film The Basketball Diaries schiet het personage van hoofdrolspeler en tieneridool Leonardo Dicaprio, gekleed in een lange zwarte trenchcoat, leerlingen en leraren van zijn voormalige school dood. Metro Goldwyn Meyer haalde de film vorige week uit de handel wegens de gelijkenis met het bloedbad dat twee tieners twee weken geleden op een school in het Amerikaanse Littleton aanrichtten. Deze beslissing van de filmproducent is uiteraard niet los te zien van de emotie van het moment, maar is ook een uiting van een gevoel dat al heel lang bestaat. Het verband tussen een kunstuiting en werkelijkheid is voor velen onomstotelijk. Iedereen leert op school dat Goethe met de publicatie van Die Leiden des jungen Werthers (1774) verantwoordelijk was voor de golf van zelfmoorden onder jongeren die Europa vervolgens teisterde.

De macht van de kunst: niet alleen de volksmond, maar ook politici, van dictators en hun censors tot democratische bestuurders geloven er heilig in. Als bedreiging dan wel als instrument. Het is een oude, vooral socialistische hebbelijkheid om kunst niet als vrije expressie te zien maar als een middel, met maatschappelijke doeleinden. En al heeft die visie aan kracht ingeboet, het denken van sociaal-democraten wordt er nog altijd door gekleurd. Uitgerekend de huidige staatssecretaris van Cultuur, Rick van der Ploeg (PvdA), levert het bewijs. Geen gelegenheid laat hij onbenut om te hameren op het belang van kunst voor het grote publiek en voor achtergestelde groepen in de samenleving; steeds weer wijst hij kunstenaars op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid, almaar stelt hij de ongelijke verdeling van kunstsubsidies aan de orde, met het de overheid 330 gulden kostende kaartje voor de opera als geliefd voorbeeld.

Tijdens zijn eerste toespraak in zijn nieuwe functie verwoordde hij de vrees voor een tweedeling ,,tussen de gesubsidieerde wereld van de traditionele kunst en cultuur voor de elite en de vaak commerciële cultuur voor de massa''. Zijn vergelijking tussen de massale belangstelling voor de Rolling Stones en de slechts voor de happy few opgevoerde voorstellingen van De Nederlandse Opera, was je reinste demagogie, maar het is dan ook niet gemakkelijk om én opzien te baren én redelijk te blijven. Het ene had hij nu gedaan, het andere zou hij nog wel worden.

Die hoop bleek ijdel, want Van der Ploeg heeft sinds zijn maidenspeech niet afgelaten duidelijk te maken dat het hem ernst is met zijn Umwertung aller Werte. Zijn visie op kunst heeft tot op heden weliswaar nog geen directe materiële gevolgen gehad, de indirecte en psychologische effecten zijn er al wel. Zo staat het onlangs uitgebrachte Vooradvies van de Raad voor Cultuur bol van verwijzingen naar Van der Ploegs gedachtegoed. De titel alleen al: `Cultuur voor Culturen', laat geen ruimte voor misverstand over de koers die de Nederlandse kunstwereld dient te gaan varen. De `hiërarchische scheiding tussen westerse en niet-westerse, hogere en lagere cultuur' wordt `steeds minder toepasbaar' genoemd. Niet-autochtone Nederlanders profiteren minder van culturele voorzieningen dan de Raad `wenselijk' acht. Ja, zelfs is de Raad voorstander van `een pluriform kwaliteitsbesef', waarmee de aanval op het kwaliteitscriterium bij de weging van wat gesubsidieerd moet worden en wat niet, is ingezet.

Het was te verwachten en te voorzien. Een op papier onafhankelijk adviesorgaan als de Raad voor Cultuur doet er nu eenmaal, zoals het verleden al wel heeft aangetoond, goed aan niet al te ver van de politieke agenda weg te drijven. Hij wil weliswaar zijn zelfstandigheid benadrukken – door bijvoorbeeld afstand te nemen van Van der Ploegs geloof in het met de commercie flirtende `cultureel ondernemerschap' - maar hij wil ook serieus genomen worden. Uit lijfsbehoud is de Raad dus gedwongen, al is het slechts schoorvoetend, mee te werken aan bijvoorbeeld bezuinigingen die hijzelf voor onmogelijk houdt of zich rekenschap te geven van politieke visies die niet per se de zijne zijn.

Niet alleen de Raad laat de oren hangen naar de wensen van de staatssecretaris. Straks, als zij hun beleidsplannen ten departemente moeten indienen, zullen kunstenaars en kunstinstellingen dat evenzeer doen. Ze hebben immers geld nodig en springen dus als hondjes naar de kluif. Toen `topkunst' (ten tijde van minister Elco Brinkman) en `internationalisering' (onder Hedy d'Ancona) de sleutelwoorden van het kunstbeleid waren, beleed het `veld' massaal zijn instemming. Iedereen had ineens plannen in de gewenste richting.

`Multi-culti' en `jongeren' waren onder Van der Ploegs voorganger, Aad Nuis, al in de mode, maar die begrippen worden nu zonder enige twijfel toverwoorden. Of liever: ze zijn het al. Pamfletten van uit het niets opdoemende `denktanks' getuigen ervan. Beroepsbemoeials zien hun kans schoon. Oud-burgemeester van Amsterdam, E. van Thijn, ondertekent rustig een petitie waarin zeven procent van het totale kunstbudget voor allochtone kunstuitingen wordt opgeëist. Oud-voorzitter van de PvdA, Felix Rottenberg, verbindt zijn naam moeiteloos aan weer een ander pamflet, dat het huidige toneelbestel fossiel verklaart en jongeren tot redders in de nood. Ik zie geen crisis, maar zij des te meer.

De crisis die de politicus Van der Ploeg en zijn fellowtravellers ontwaren is dan ook niet artistiek van aard, maar maatschappelijk. Hun zorg geldt niet de kunst, maar de kijkcijfers en een vaag gevoel van rechtvaardigheid. Omdat groepen buiten de maatschappij dreigen te komen staan, luidt de impliciete redenering, moet de kunst ze van de ondergang redden. Omdat (ik citeer Van der Ploeg) ,,bungee-jumpen, Zen en gabbers [...] weinig te maken [hebben] met de traditionele noties van kunst en cultuur'', is de gesubsidieerde kunst elitair. Omdat ten minste zeven procent van de Nederlandse bevolking allochtoon is, moet dat percentage van het kunstbudget dus ook in allochtone handen komen. Omdat in het theater – zo is althans de indruk, want de cijfers geven een genuanceerder beeld – de grijze haren overheersen, moet de jeugd dus naar de schouwburg gelokt worden. Omdat Marokkaanse jongeren Amsterdam-West terroriseren, moet kunst ze gaan verheffen of op zijn minst afleiden.

Maar kunst is geen welzijnswerk en kunstbeleid heeft niets te maken met rechtvaardigheid of met democratische verdeling van middelen. Integendeel, kunst gedijt op talent, niet van groepen maar van individuen: ondemocratischer kan het niet. Het is lastig, maar dat talent laat zich niet kwantificeren en het is niet af te lezen aan bezoekcijfers. Dankzij dat besef zijn in de jaren van de wederopbouw kunstsubsidies uitgevonden. Juist wat zichzelf niet bedruipen kan en toch waardevol wordt geacht, moet door de overheid ondersteund en beschermd worden. De opperste avant-garde van enkelingen kan op langere termijn een groot rendement voor velen opleveren. Zie Mondriaan en Karel Appel, van Van Gogh en Warhol. Als een toneelgezelschap kwaliteit biedt en ook nog populariteit geniet, is dat hooguit een gelukkig toeval, een criterium voor toekenning van subsidie is de publieke belangstelling niet.

Toch moeten volgens Van der Ploeg vraag en aanbod op de `kunstmarkt' meer met elkaar in overeenstemming gebracht worden. De econoom die hij is, veronachtzaamt daarmee niet alleen het wezen van kunst en van de portefeuille die hij beheert, maar ook de logica van zijn eigen aanbevelingen. Ouderen vormen een groter marktsegment dan allochtonen – en hoe groot is trouwens de behoefte van de laatste groep aan kunst? Hoe groot is de behoefte van jongeren om kunst te gaan bekijken of zelf te produceren? Wie weerhoudt ze daarvan? Hoe groot is hun talent en waaruit blijkt dat zij geen eerlijke kansen krijgen? Aan welke aanstormende, in de knop gesmoorde talenten gaan die zeven procent van het kunstbudget die Van Thijn en zijn mede-pamflettisten voor allochtone groepen opeisen, gegeven worden? Sinds wanneer zijn leeftijd en huidskleur garanties voor kwaliteit?

Er is niets tegen om zowel de belangstelling voor kunst als het produceren ervan onder bepaalde groepen te stimuleren – zoals al sinds jaar en dag door subsidiëring van allochtone theatergroepen gebeurt - maar Van der Ploeg schiet door. Nieuwe ideeën lanceert hij niet, hij perverteert de oude. Hij zaait daarmee onrust die zich slecht verhoudt met de kwetsbaarheid van het terrein dat hij beheert. In zijn laatste toespraak, voor de Vereniging van Nederlandse Toneelgezelschappen, zei hij subsidies aan de persoon van de artistieke leider te willen verbinden. ,,Als de artistiek leider vertrekt is het met het initiatief afgelopen. De discontinuïteit die daarmee wordt gecreëerd, maakt de weg vrij voor nieuwe initiatieven en nieuw talent.'' Gerardjan Rijnders vertrekt straks als artistiek leider van Toneelgroep Amsterdam: houdt het gezelschap dan op te bestaan? En verdwijnt De Nederlandse Opera als Pierre Audi opstapt? Nee dus.

Niet alles wat hij zegt hoeft serieus genomen te worden, liet Van der Ploeg zich onlangs ontvallen. Dat is duidelijk, maar duidelijk is ook dat hij aan zijn positie verplicht is drie keer na te denken alvorens zijn mond open te doen. Hij moet de zaken niet simpeler voorstellen dan ze zijn en bijvoorbeeld eens te rade gaan bij Ahmed Aboutaleb, directeur van Forum, het instituut voor multiculturele ontwikkeling. Die vergelijkt in `Onze Wereld' (mei 1999) de integratie van minderheden met ontwikkelingshulp en constateert dat er ,,inmiddels genoeg waterputten geslagen'' zijn. Niet dergelijke voorzieningen, maar onderwijs (,,We doen er te weinig aan'') is volgens hem ,,de enige weg die minderheden naar een positie leidt om deel te nemen''. Hij heeft gelijk.

Integratie, in het algemeen en in de kunsten in het bijzonder, vergt een veel langere adem en een veel bredere investering dan een zak met geld of `discontinuïteit'. Die zijn een schijnoplossing. Van der Ploeg zou bovendien meer vertrouwen mogen hebben in de door hemzelf zo gekoesterde marktwerking: juist in de kunst zal geen enkele directeur of artistiek leider het in zijn hoofd halen jong of allochtoon talent in de kiem te smoren.

Pieter Kottman is redacteur van NRC Handelsblad.