Doffe dreunen

Na de Eerste Wereldoorlog keerden soldaten terug met een shellshock, inslaande granaten hadden hun zenuwstelsel aangetast. Indië-veteranen hadden na de politionele acties last van tropenkolder. Pas na de oorlog in Vietnam werden de psychische, sociale en lichamelijke klachten van oud-strijders serieus erkend. 'Ik ben bang dat het nooit helemaal overgaat.'

Klazien van Brandwijk (47) was van december 1992 tot juni 1993 humanistisch geestelijk verzorger van de Nederlandse mariniers in Cambodja. Toen ze terugkwam in Nederland was ze eerst alleen maar lusteloos, vertelt ze. ,,Het weer was verschrikkelijk. Ik had me enorm verheugd op het fietsen in de polder, maar ik kon niets anders dan tv kijken, naar allerlei onzin.'' Daarna kwamen er plekken op haar huid. Van haar huisarts kreeg ze Zovirax, tegen koortsuitslag, maar dat hielp niet. Tijdens een receptie in mei 1994 viel Van Brandwijk bijna flauw. Haar bloedbezinking bleek niet in orde. ,,Een internist zei tegen me, je hebt iets tropisch onder de leden. Marine-artsen dachten dat het kwam door alle inentingen, of door de Lariam die ik tegen malaria heb geslikt.”

Mischa Veldhuis (27) was één van de eerste Nederlandse UNPROFOR-militairen in Bosnië. Na drie maanden niksen ging hij in het najaar van 1992 weer aan het werk. Dat ging twee jaar goed. Daarna kwam de terugval. ,,Ik kreeg aanvallen van hyperventilatie. Spanning op m'n hele lijf, in m'n nek, in mijn armen, op mijn borst. Op een gegeven moment werd het zo erg dat ik niet meer kon werken. Van de huisarts kreeg ik valium. Dat heb ik zes maanden geslikt, ja. Ik geloof niet dat ik in die tijd nog van de bank afgekomen ben.”

Jan-Evert Hulleman (38) was in Libanon, in 1979. Hij was toen net achttien. Toen hij na zes maanden terugkwam, was hij uitgemergeld. ,,Mijn moeder herkende me nauwelijks. Brood-, en broodmager was ik.” Hulleman ging werken als schilder. Al na een paar maanden kwamen de klachten. ,,Mijn vader vroeg: waarom blijf je, als je bent thuisgekomen, anderhalf uur lang in je auto voor je uit staren? We woonden langs het spoor, de treinen zorgden voor veel herrie. Op een nacht maakte mijn moeder me wakker. In mijn slaap was ik onder het bed voor het lawaai weggekropen.”

Granatschock

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd het 'shellshock', of 'Granatschock' genoemd. Engelse en Duitse legerartsen gingen er vanuit dat de doffe dreunen van inslaande granaten waaraan de soldaten in hun onderaardse gangenstelsels voortdurend werden blootgesteld, een slechte invloed hadden op het zenuwstelsel. Tijdens de politionele acties in Indië spraken de Nederlanders van 'tropenkolder' omdat men dacht dat het vreemde gedrag van sommige militairen werd veroorzaakt door het broeierige klimaat. Pas in de jaren zeventig, tijdens de Vietnamoorlog, werd het fenomeen door Amerikaanse legerartsen min of meer systematisch onderzocht. Sindsdien bestaat er een medische term voor de psychische schade die oorlogsgeweld kan veroorzaken: PTSS, post traumatisch stress syndroom.

In 1979 nam Nederland voor het eerst deel aan een VN-vredesmissie, maar pas sinds het begin van de jaren negentig zijn uitzendingen naar crisisgebieden een vast onderdeel geworden van het takenpakket van de krijgsmacht. Vorige week meerde het transportschip Rotterdam aan in de haven van Dürres in Albanië, met 220 mariniers en een gedeelte van een transportcompagnie aan boord. In Tetovo, in het noorden van Macedonië, arriveerden deze week 120 artilleristen uit Arnhem, die met vijf M 109-kanonnen een Duitse brigade gaan beschermen tegen eventuele Servische aanvallen. In totaal zijn er op dit moment meer dan drieduizend Nederlandse militairen in het buitenland actief, niet alleen in Macedonië, Albanië, of vanaf de Italiaanse vliegbasis Amendola, maar ook in Bosnië en op Cyprus.

Doden en gewonden zijn er bij de Nederlandse militairen tot nu niet of nauwelijks gevallen. Wel levert de verwerking van de ervaringen in het oorlogsgebied in veel gevallen problemen op. Uit een onderzoek uit 1997 onder drieduizend 'jonge veteranen' die sinds Libanon zijn uitgezonden, blijkt dat ruim twintig procent hieraan dusdanige psychische of fysieke problemen heeft overgehouden dat hij of zij behoefte heeft aan professionele hulp. Bij ongeveer vijf procent van de militairen zijn die problemen zo groot dat de diagnose PTSS is gesteld.

Golfoorlogsyndroom

De problemen met jonge veteranen kwamen in de tweede helft van de jaren negentig aan het licht. Klazien van Brandwijk was niet de enige die kwakkelde met haar gezondheid. Een collega, kapitein J. Mooij, en 25 andere Cambodjagangers vertoonden allemaal dezelfde symptomen: vermoeidheid, concentratiestoornissen, hoofdpijn, slaapproblemen en problemen met de coördinatie. Daarmee leken de problemen van de Cambodjagangers verdacht veel op het Golfoorlog-syndroom, een reeks van klachten waarvan de precieze oorzaak nog steeds niet is opgehelderd.

In 1994 vroeg de groep van 27 aandacht voor hun problemen. Defensie bleek echter niet erg gemotiveerd om een onderzoek in te stellen, vertelt Van Brandwijk. ,,Het onderzoek door het Centraal Militair Hospitaal dat ons was toegezegd, ging niet door. Het zal wel stress zijn, kregen we te horen.”

Van Brandwijk, Mooij en de andere leden van de groep van 27 dachten zelf aan een lichamelijke oorzaak. Ze bleven aan de bel trekken. Onderzoek door burgerartsen in Delft en door psychiaters van de Afdeling Individuele Hulpverlening van de Landmacht leverde echter geen oorzakelijk verband op tussen de klachten de de uitzending naar Cambodja. De groep van 27 zocht de publiciteit. Er werden Kamervragen gesteld en de Vaste Kamercommissie voor Defensie hield een hoorzitting. In 1996 zegde staatssecretaris Gmelich Meijling een nieuw onderzoek toe. Wetenschappers van de Vrije Universiteit in Amsterdam en het Academisch Ziekenhuis in Nijmegen inventariseerden de klachten van de 2.000 Nederlandse militairen die in Cambodja hadden gediend. Tegelijkertijd werd de groep van 27 opnieuw medisch onderzocht. Zeventien procent van de Cambodjagangers bleek last te hebben van een reeks van klachten die door de Nijmeegse onderzoekers PCK, of Post Cambodja Klachten werden genoemd. De oorzaak van die klachten werd echter niet duidelijk. Bij het nader medisch onderzoek van de 27 kwam evenmin een gemeenschappelijke oorzaak aan het licht. Als het aan de Lariam of de inentingen lag, dan valt dat in elk geval niet aan te tonen, meldden de onderzoekers. De Cambodjagangers waren niet de enigen die hun fysieke klachten toeschreven aan externe oorzaken. In feruari van dit jaar werden de resultaten gepubliceerd van een onderzoek naar de gezondheidsklachten die voorkomen onder de ongeveer 1.200 UNPROFOR-militairen die in 1994 en 1995 gelegerd zijn geweest op het terrein van een oude cokesfabriek in Lukovac, in Centraal-Bosnië. Een aanzienlijk aantal van hen kreeg twee jaar na de uitzending een groot aantal klachten: hoofdpijn, slapeloosheid, huidirritatie, problemen met de darmen en de luchtwegen. Veel militairen dachten dat de klachten waren veroorzaakt door de verontreiniging van het kazerneterrein, dat overdekt was geweest met een fijne laag kolenstof. Uitgebreid onderzoek van de arbodienst van Defensie, TNO en de milieudienst DHV kon echter geen oorzakelijk verband tussen de klachten en de verontreiniging aannemelijk maken.

Inmiddels is bij drie procent van de Cambodjagangers PTSS geconstateerd. Dat cijfer is lager dan het gemiddelde van vijf procent zoals naar voren is gekomen uit het jonge veteranen-onderzoek van 1997. En dat is vreemd, gezien het grote aantal (17 procent) Cambodjagangers met gezondheidsproblemen. Klazien van Brandwijk werd vorig jaar afgekeurd voor militaire dienst. Voor PCK, Post Cambodja Klachten. De diagnose PTSS is bij haar nooit gesteld, zegt ze, ,,hoewel mijn symptomen er soms erg op lijken.”

Marie-Louise Tiesinga is lid van de Eerste Kamer voor D66 en is voorzitter geweest van de begeleidingscommissie van de onderzoeken naar Cambodja. Lukovac en de jonge veteranen. Tiesinga vermoedt dat ook de post Cambodja klachten worden veroorzaakt door PTSS. ,,PTSS is een ziekte die ligt op de scheidslijn van lichaam en geest. Er gebeurt iets in de hersenen als je de ellend en stress van een oorlog meemaakt. Voor niemand is het leuk om naar een oorlogsgebied gestuurd te worden. Maar sommigen zijn kwetsbaarder dan anderen.”

Debriefen Staatssecretaris Henk van Hoof heeft zojuist de 120 man van het 11e Rijdende Artillerie 'Gele Rijders' uitgezwaaid op vliegbasis Eindhoven. Sommige militairen beschouwden de missie als een gewone klus, vertelt de staatssecretaris. Bij anderen was er duidelijk spanning te zien op het gezicht. ,,Maar dat is normaal als je naar zo'n gebied gestuurd wordt.” Volgens Van Hoof heeft het ministerie van Defensie geleerd van de uitzendingen van de afgelopen tien jaar. ,,We besteden nu veel meer aandacht aan de mogelijke psychische gevolgen van het werken in een crisisgebied.”

Aan het begin van de jaren negentig werden militairen zonder enige noemenswaardige voorbereiding op pad gestuurd. Tegenwoordig wordt er veel beter voorgelicht, vertelt Van Hoof. ,,Niet alleen over de psychische risico's, maar ook over wat de militairen in het land kunnen verwachten, de situaties daar, de geschiedenis, de cultuur.” Ook tijdens de uitzending is er meer begeleiding dan vroeger. ,,Als het moet, gaan er psychologen mee.” Ten slotte wordt er meer tijd gestoken in het 'debriefen' van militairen na terugkeer. Van Hooff: ,,We hebben geleerd dat de klachten zich niet meteen hoeven te openbaren. Na negen maanden sturen we uitgezonden militairen daarom nu een uitgebreide vragenlijst. Verder moet de hele Defensie-organisatie er tot in de haarvaten van doordrongen zijn dat ook daarna nog het risico bestaat dat er iets met een militair kan gebeuren.”

He BNMO-bondsbureau ligt tegenover de marinierskazerne, midden in de bossen van Doorn. Piet van der Drift is er hoofd maatschappelijk werk. ,,De Bond van Nederlandse Militaire Oorlogs- en dienstslachtoffers werd drie maanden na de bevrijding opgericht door de Grebbebergers en de Moerdijkers, de militairen die hadden gevochten in de Tweede Wereldoorlog”, vertelt hij. ,,Doel van de BNMO was om de belangen te behartigen van militairen die tijdens de oorlog gehandicapt waren geraakt. Sociale voorzieningen bestonden nog nauwelijks. En het woord trauma was nog niet uitgevonden.” In de jaren vijftig kwam er een nieuwe doelgroep bij: de militairen die hadden moeten vechten in Indonesië. Ook Korea-veteranen en mensen die waren uitgezonden naar Nieuw Guinea konden lid worden van de BNMO, net als dienstplichtigen die aan de stormbaan een dwarslaesie hadden overgehouden. De BNMO, nog steeds een particuliere organisatie met 7.800 leden, bemiddelt bij het aanvragen van een uitkering bij Defensie, vertelt Van der Drift. Maar het verleent ook psychische hulp aan veteranen. Militairen die nog in actieve dienst zijn, kunnen rechtstreeks terecht bij verschillende hulpverlenende instanties van defensie, zoals de Afdeling Individuele Hulpverlening van de Landmacht, de Maatschappelijke Dienst Defensie of de afdeling psychiatrie van het Centraal Militair Hospitaal (CMH) in Utrecht. Voor veteranen die de dienst hebben verlaten, verloopt de weg naar de professionele hulpverleners meestal via de BNMO, die verspreid over het land vijftien maatschappelijk werkers in dienst heeft.

De psychische problemen die door oorlogsgeweld worden veroorzaakt hebben één naam gekregen. Maar PTSS bestaat meestal uit een heel complex van geestelijke, lichamelijke, maar ook sociale en relationele problemen. Van der Drift: ,,Het is een meervoudige aandoening, die gepaard kan gaan met gok- of drankverslaving, met schulden. Vaak zijn er problemen met de werkgever, of met de partner. Die problemen moet je stap voor stap oplossen. Als iemand verslaafd is aan de drank, dan kan dat heel best komen door de dingen die hij in Joegoslavië heeft meegemaakt, maar dan moet hij eerst van de drank af.”

De maatschappelijk werkers van de BNMO helpen hierbij. Ze voeren gesprekken met de veteranen, maar ook met zijn of haar omgeving. De zwaardere psychische gevallen sturen ze door naar de afdeling psychiatrie van het CMH.

Klik,klik

Evert-Jan Hulleman reed in 1979 met zijn jeep heen en weer tussen de verschillende UNIFIL-posten in Libanon. Hij werd verschillende malen bedreigd. ,,Die PLOérs deden graag een spelletje. Ze plaatsten een geweer op je hoofd en dan ging het klik, klik: ze haalden de trekker over, maar er zaten geen kogels in. Zoiets is verschrikkelijk voor een jongen van achttien jaar die pas veertien dagen in Libanon zit.” In de eerste weken na aankomst maakte hij mee dat een PLO'er voor zijn ogen een klein jongetje neerschoot. ,,Hij zag dat ventje als bedreiging. Het jongetje had ook iets in zijn handen, ik weet niet wat. Ik was ook bang voor kleine jochies, die vaak zwaar gewapend waren. Ze waren onberekenbaar.”

Hulleman liep meer dan twintig jaar rond met zijn problemen zonder hulp te zoeken. ,,Ik dacht, ik ben de enige die het heeft. Maar het ging van kwaad tot erger. Slecht slapen, stemmingswisselingen en onverklaarbaar agressief gedrag.” Anderhalf jaar geleden ging Hulleman naar een geunie van Libanongangers in Nunspeet. Het bleek dat veel lotgenoten dezelfde klachten hadden. Via hen kwam hij in contact met de BNMO en kwam hij terecht op de afdeling psychiatrie van het CMH. Iedere vrijdag spreekt hij daar met oud-collega's over de gebeurtenissen in Libanon. ,,We hebben zware sessies. Je moet je hele verhaal kwijt en alles wat daarbij hoort. Op 7 september van het vorig jaar brak ik en ben ik de hele week opgenomen geweest. Na heel veel gesprekken begon het kwartje langzaam te vallen. Nu gaat het beter, maar ik kan altijd weer een terugval krijgen. Ik ben bang dat het nooit helemaal overgaat.” Misha Veldhuis was één van de kwartiermakers die in Bosnië alles in gereedheid moesten brengen voor de komst van een Nederlands verbindingsbataljon. ,,Op het moment dat wij in Bosnië aankwamen, begon de oorlog. Toen wij in Sarajeo zaten, merkten we dat er steeds vaker schoten te horen waren op straat. De inslagen kwamen steeds dichterbij. In Sarajevo zag je vrij weinig van de oorlog, de stad was nog intact. Maar toen wij drie weken later vertrokken, met drie jongens en een sergeant-majoor naar Bihac reden, kwamen we in gebieden die al helemaal verwoest waren. Het ging allemaal heel snel. Van Sarajevo naar Bihac, naar Topu sko, radioposten opzetten. ,,Je hebt gewoon de kans niet om dat allemaal te verwerken.” Veldhuis was een idealist. Voor zijn diensttijd deed hij allerlei vrijwilligerswerk, in het clubhuis, met randgroepjongeren, bij de posterorganisatie Loesje. In Bosnië zou hij gaan helpen om het conflict in de hand te houden. ,,Wij gaan daar het verschil maken, dachten we.” De eerste 26 Nederlandse VN-militairen werden in Sarajevo als helden binnengehaald. Maar al snel verloor UNPROFOR de controle op de gebeurtenissen. Bij roadblocks werd je tegengehouden. Er werd met ons gespeeld. Dan sta je machteloos. Je mócht gewoon niets doen. De magazijnen van onze geweren moesten we zelfs afplakken met tape. We kwamen daar om de vrede te bewaren. Ondertussen escaleerde de hele boel.” In Nederland ging het van kwaad tot erger met hem. Door de aanvallen van hyperventilatie durfde hij niet meer met het openbaar vervoer. Gesprekken met een maatschappelijk werker in Denekamp leverden geen resultaat op. Veldhuis was rijp voor de WAO, toen hij via de grootvader van een vriendinnetje in contact kwam met de BNMO. Inmiddels loopt hij eeneens bij het CMH. Het gaat nu beter, vertelt hij. In Utrecht heb ik individuele gesprekken. Ik krijg medicatie voorgeschreven, oppeppers, antidepressiva. Daardoor krijg ik weer wat energie om wat te doen. Ik werk nu twee dagen per week in de voedselindustrie. Gewoon dom werk, waar je niet bij na hoeft te denken.”

Erkenning

Piet van der Drift haalt een lijst van de muur. Het is een rijmpje dat Generaal Spoor, de opperbevelhebber van de Nederlandse troepen tijdens de politionele acties in Indonesië, schreef na de nederlaag:

Wij wenden ons tot God en Jan Soldaat

Als hoge nood en bitt're strijd ons wacht

De nood voorbij, het land in vredesstaat

Vergeten wordt de Heer, en Jan Soldaat veracht!

Het ergste voor veteranen is gebrek aan herkenning, zegt Van der Drift. Dat geldt voor de militairen van Dutchbat, die na de val van Srebrenica het nationale schuldgevoel over zich heen kregen. Maar het geldt ook voor de dienstplichtigen die van 1945 tot 1949 in Indië moesten vechten. Van der Drift vertelt dat hij nog steeds verzoeken binnen krijgt van Indië-veteranen voor psychische bijstand. Sinds 1991 krijgen alle militairen die uitgezonden zijn geweest en de dienst hebben verlaten van Defensie een officiële veteranenstatus. Er wordt een pas verstrekt, die recht geeft op korting in het openbaar vervoer. Er worden reünies georganiseerd. Veteranen krijgen een eigen blad, de Opmaat. Volgend jaar opent het veteraneninstituut, een samenwerkingsverband tussen de BNMO en Defensie, zijn deuren. ,,De laatste jaren is er een boel verbeterd bij Defensie”, zegt Van der Drift. Recente cijfers zijn er nog niet. Dus of de grotere aandacht voor geestelijke zorg inmiddels een gunstige uitwerking heeft gehad op het aantal militairen met psychische problemen is niet bekend, zegt staatssecretaris Van Hoof. Defensie voelt zich verantwoordelijk voor haar personeel, zegt de staatssecretaris. Tegelijkertijd accepteert de organisatie dat psychische schade hoort bij de risico's van het militaire vak. ,,Het is een vast gegeven bij het werken in dit soort omstandigheden. Je moet je goed realiseren, zo'n missie in Macedonië is geen wandeling in de duinen. Toch vinden we met z'n allen, de internationale gemeenschap, maar ook de Nederlandse bevolking, dat we het moeten doen. Kijk maar naar de opiniepeilingen.”