Conceptuele koketterie en vrijblijvendheid

Thematentoonstellingen zijn vaak net themafeestjes: veel nut hebben ze niet, maar ze bieden wel gespreksstof. Daarmee zijn ze ook een goede vluchtweg voor een organisator die even geen ideeën meer heeft, die de kunst weerbarstig vindt of geen actuele tendenzen kan bespeuren. En het is dan ook veelzeggend dat juist Witte de With nu met de thematentoonstelling Space komt – als ergens in Nederland de worsteling in de beeldende kunst wordt weerspiegeld is het daar. Witte de With stelt zich al sinds de opening ten doel de actuele ontwikkelingen in de beeldende kunst de tonen, en kijkt daarbij niet op een theorie meer of minder. Maar de laatste tijd ziet het instituut zich daarbij met een lastige kwestie geconfronteerd: de allernieuwste ontwikkeling in de kunst is dat kunstenaars zich afkeren van het kunstinstituut. Ze trekken de wereld in, combineren hun kunst met mode, muziek of architectuur en beschouwen musea of galeries niet meer als de eerste plek die ze nodig hebben om hun werk bekend te maken, al is het maar omdat het in die geïnstitutionaliseerde omgeving minder tot zijn recht komt.

Daar sta je dan, als actueel kunstinstituut.

Space is een mooi voorbeeld van de identiteitscrisis waarin Witte de With verkeert. De tentoonstelling maakt een samengeraapte indruk, waarbij het hippe thema `ruimte', dat zowel naar architectuur als de `openbare ruimte' verwijst, het geheel een actueel tintje moet geven. Maar trek je dat nietszeggende thema eraf (alle beeldende kunst gaat tenslotte uiteindelijk over ruimte), dan blijft er een vrijblijvende tentoonstelling over, die als voornaamste verdienste heeft dat er elf min of meer jonge, in Nederland weinig getoonde kunstenaars, worden voorgesteld.

Niet dat dat altijd een genoegen is – te veel van de werken blijven steken in vrijblijvendheid of conceptuele koketterie. De Duitse Regina Möller bijvoorbeeld heeft de vloer van een zaal volgelegd met niet-uitgevouwde verhuisdozen en daar een aantal abstracte, weinigzeggende muurschilderingen in verhuisdooskleur aan toegevoegd. De Australiër David Noohan toont een filmpje waarin hij optreedt als astronaut en verwikkeld raakt in een soort `space-crash'. Wat er precies gebeurt is onduidelijk; aan het einde van het filmpje zien we Noohans hoofd zo hard tegen zijn ruimtehelm slaan dat het bloed uit zijn mond spat. Nog platter is het werk van de Duitse Ursula Rogg die onder andere foto's maakte bij Hennie Huismans Mini-Playbackshow. Dat levert overbekende plaatjes op van kinderen met pruiken en lippenstift en iets te volwassen jurken – voor een Duitse misschien een hele ontdekking, maar waarom we die in Rotterdam nogmaals voorgeschoteld moeten krijgen, is me een raadsel.

Een van de weinige intrigerende werken op Space is het al vijf jaar oude Star, een 8 mm-filmpje van de Ierse kunstenares Jaki Irvine. Terwijl op de achtergrond muziek van Prokofjev klinkt, schommelt de camera langs een kroonluchter die ook wel iets van een kerstboom heeft. Ondertussen vertelt een vrouwenstem, in Engels met een Duits accent, een kort verhaal over een vrouw die in een bar zoveel wodka drinkt dat ze `als een ster op de grond valt'. De schonkelende camera suggereert dat we met de vrouw meekijken – maar merkwaardig genoeg roept dat geen gevoel van dronkenschap, maar een vreemde geborgenheid bij de toeschouwer op.

Bijna even goed en in ieder geval verwijzend naar het thema is het zaalvullende werk van de Amerikaan Matthew Geller. Hij exposeert vijf mini-flatgebouwen, opgetrokken uit grijs beton en bestaand uit aparte lagen. Elk van de vijf flats heeft van Geller een eigen identiteit gekregen, die meestal wordt bepaald door `elementen' van buitenaf. Zo draaien op Cloudy day twee grote, witte wattenwolken op het dak en brandt er op Sunny day een lampje op een van de onderste verdiepingen. Bij

Quake is de onderkant van het flatje groen uitgeslagen en zijn de verdiepingen verschoven als na een aardbeving. Gellers werk is weinig opzienbarend, maar goed doordacht en prikkelend in de lading die zijn kleine ingrepen hebben op de verder identieke flatgebouwen. Bovendien is het, net als het werk van Irvine, symptomatisch voor veel kunst van dit moment: die moet het meer hebben van kleine, persoonlijke gestes dan van grote theorieën die zoveel mogelijk ruimte willen beslaan. Dat zou Witte de With eens tot nadenken moeten stemmen.

Tentoonstelling: Space. In: Witte de With, Witte de Withstraat 50, Rotterdam. Di t/m zo 11-18u. T/m 20 juni.