Zoeken naar een ideale opa

Monika Maron, geboortejaar 1941, zoekt sinds zij schrijft verbeten naar haar vader. In haar roman Stille Zeile Sechs (1991) was die vaderfiguur een starre communist, een pedante bobo, een type als Monika's stiefvader Karl Maron, in de stalinistische jaren vijftig minister van binnenlandse zaken van de DDR. De stiefvaders in het werk van Monika Maron zijn akelig, de biologische vaders zijn aardig en de ideale vaders zijn aardig en ook nog eens apart. De ideale vaders in het werk van Monika Maron zijn opa's. Reeds in haar debuutroman Flugasche uit 1981 heet het: `Grootvader was dromerig, nerveus, spontaan en driftig en hij moet een beetje getikt zijn geweest.'

En in haar nieuwe boek Pawels Briefe lezen we: `Wij, mijn grootvader en ik, wij waren gewoon een beetje anders, een beetje onpraktisch, dromerig en tot spontane invallen geneigd, nerveus, een beetje getikt.' Maron herhaalt het steeds: haar opa Pawel bezit alle eigenschappen die zij graag bij haar vader zou hebben gezien, bij haar verwekker Walter die door haar moeder aan de kant werd gezet toen Monika nog klein was. Haar opa Pawel, dat weten we ook van het essay Ich war ein kommunistisches Kind, is alles wat stiefvader Karl niet was. Opa Pawel laat zijn kinderen vrij en omringt hen met liefdevolle zorg: `Tot op de dag van vandaag', schrijft Monika Maron in Pawels Briefe, `stel ik me dit voor bij het woord geluk: hoe grootvader elke ochtend als eerste opstond en voor al zijn kinderen hun lievelingsdrankje klaarmaakte. Voor Bruno thee, koffie voor Marta, melk voor Hella, warme chocola voor Paul.'

De vraag die Monika in Pawels Briefe stelt is: `Hoe zou mijn leven zijn verlopen als hij had overleefd?' Pawel Iglarz werd in 1942 door de nazi's vermoord. In een korenveld volgens Flugasche; in de bossen bij het getto Belchatov of in het concentratiekamp Kulmhof volgens de nieuwe tekst. In elk geval in Polen, het land dat Pawel en zijn vrouw Josefa aan het begin van deze eeuw vaarwel hadden gezegd. Zoals zij ook hun orthodoxe families vaarwel hadden gezegd. Hij, een joodse jongen, en zij, een katholiek meisje, braken met de traditie en werden op hun twintigste baptist. Ze zochten de mogelijkheden van de grote stad Berlijn en bouwden er een bestaan op, bescheiden, want kleermaker Iglarz verdiende niet veel, maar onafhankelijk en kalm en waardig. En dat bestaan, die worsteling, die uiteindelijk geslaagde aanpassing aan Duitsland had geen enkele waarde meer toen de Duitse autoriteiten hen in 1939 terugstuurden naar af.

Monika Maron vertelt dit alles zo droog mogelijk, in karige, ernstige zinnen. Ze stelt zich op als bescheiden arrangeur van feiten. Ze heeft de beschikking over een doos met brieven, een fotoalbum en een handvol familielegendes, en die onderwerpt zij aan een strenge controle. Ze ondervraagt familieleden, maakt een reis door Polen, duikt bibliotheken en archieven in en concludeert dat er over haar grootouders weinig te zeggen valt.

En dat is het probleem van Pawels Briefe: op een paar passages van Maron zelf en op een paar prachtig-treurige brieven van de opa na, kort voor zijn dood geschreven, is de tekst merkwaardig leeg gebleven. Marons besluit om zich strikt aan de waarheid te houden en niets zelf te verzinnen heeft verkeerd uitgepakt. De waarheid, die alleen je eigen waarheid kan zijn, dien je beter mèt verbeeldingskracht. De waarheid dien je met sprekende details, met geuren, kleuren en geluiden, met zinnelijkheid en inlevingsvermogen en fantasie. Alleen zo wek je het verleden tot leven, alleen zo bewijs je de doden eer. Martin Walser deed dat in zijn roman Ein springender Brunnen, die ook over zijn eigen familie ging en ook over gewone mensen onder het juk van Hitler. Monika Maron deed dat in Flugasche, in Stille Zeile sechs en in Ich war ein kommunistisches Kind. Ze doet het niet in Pawels Briefe.

De daarin toegepaste methode doet denken aan het documentaire proza van W.G. Sebald, een Engelse Duitser die net als de Pools-Duitse Maron met de ogen van een buitenstaander naar Duitsland probeert te kijken. Maar Sebalds Ausgewanderten is doortrokken van een fijne melancholie die je bij Maron, ondanks de mooi afgedrukte kiekjes uit het familiealbum, niet vindt. Waar Sebald concrete woorden gebruikt grijpt Maron terug op logge begrippen. De drie generaties in haar boek moeten de hele Duitse geschiedenis dragen, en dat mislukt omdat zij in dode schema's zijn geperst. Ideologische schema's: eerst de vredelievende maar ook naïeve vroomheid van de grootouders, dan het strenge socialisme van hun kinderen en tenslotte, als toppunt van gezond verstand, het verbitterde anti-communisme van nazaat Monika. Zo blijft Maron steken in dezelfde zelfgenoegzaamheid die zij in haar betonnen stiefvader en haar ijzeren moeder zo hard bekritiseert.

Het is een vorm van zelfgenoegzaamheid die, ongunstig voor een schrijver, tot ongevoeligheid leidt. Monika Maron zet de droeve eerlijkheid van de tot sterven gedoemde grootvader als lichtend voorbeeld tegenover de verdringing, de kunstmatige vrolijkheid en de even onverwoestbare als stompzinnige energie van de moeder - en lijkt daarbij nog het meest op die moeder. Ze schrikt er zelfs niet voor terug om de foutjes (haar kortstondige Stasi-medewerking bijvoorbeeld) in haar verder zo rechtschapen leven goed te praten met behulp van de geschiedenis van haar familie, die vertrouwd zou zijn met moed maar helaas ook met angst en verraad. Zo zet ze haar opa naar haar hand, zo doet ze, hoe anders dan in haar vorige boeken, diens waardigheid geweld aan. Zo dringt door de camouflage van bescheidenheid, dienstbaarheid en behoedzaamheid heen dat de schrijfster van Pawels Briefe niet gedreven werd door medeleven met de te vroeg gestorvene maar door ordinaire zelfverheerlijking.

Monika Maron: Pawels Briefe. S. Fischer Verlag, 205 blz. ƒ53,20