Wat elders werkt, werkt niet in Joegoslavië

Het had zo mooi kunnen zijn. Als de dromen uit de eerste jaren na de val van de Muur waren verwezenlijkt, was Europa nu, mogelijk tot voorbij de Oeral, een gebied geweest waar stabiliteit, economische groei, sociale rechtvaardigheid, respect voor de rechten van de mens en erkenning van het zelfbeschikkingsrecht gemeengoed waren geworden. Aan het nieuwe strategische concept van de NAVO voor het Euro-Atlantische gebied zoals dat afgelopen weekeinde in Washington werd goedgekeurd, zou dan nauwelijks behoefte zijn geweest. Want dat gaat uit van veel toekomstig ongemak en noodzaak tot interventie nu het evenwicht in Zuidoost-Europa en verderop in de Europese periferie grondig is verstoord. Er wordt, met Kosovo ontvolkt en de infrastructuur van Joegoslavië in puin, gesproken over een Marshallplan voor de Balkan. Vreemd dat niemand op dit idee is gekomen toen het misschien de oorlog had kunnen voorkomen.

Nog in de zomer van 1991 was onder West-Europa's leiders het vertrouwen in de kracht van het eigen goede voorbeeld groot. De Europese Gemeenschap had laten zien hoe voormalige vijanden partners waren geworden in een onderneming die oorlog voorgoed leek uit te bannen. Bovendien kende de West-Europese bevolking inmiddels een levensstandaard die een generatie eerder onvoorstelbaar was. Wat lag meer voor de hand dan de zojuist bevrijde volken van Oost-Europa dit succes als wenkend perspectief voor te houden? Toen in Slovenië een burgeroorlog uitbrak en dit land zich samen met Kroatië opmaakte om de Joegoslavische federatie te verlaten, reageerde West-Europa dan ook verbijsterd. Integratie, niet desintegratie, was voorgeschreven.

De omwenteling in Oost-Europa was tot dat moment betrekkelijk bloedeloos verlopen. Van alle Oost-Europese landen was Joegoslavië het Westen het meest vertrouwd geweest. Het land had zich in de loop der jaren ontwikkeld tot een betaalbaar en gewaardeerd vakantieoord, het leverde West-Europa bovendien een vast contingent gastarbeiders. Politiek had Joegoslavië gedurende de Koude Oorlog gegolden als `grijze zone' tussen de beide blokken in: communistisch, maar `ongebonden' en toenemend georiënteerd op het Westen. De eerste ministeriële delegatie die de Gemeenschap na het uitbreken van de burgeroorlog naar Joegoslavië zond, wist niets beters te bedenken dan de separatisten op te wekken het afscheid nog even uit te stellen.

Na de Eerste Wereldoorlog en na de verdwijning van de Habsburgse en Ottomaanse imperiums was Joegoslavië opgericht om op de Balkan een nieuw evenwicht te helpen bevorderen. Tenslotte was het Servische nationalisme de lont geweest die die oorlog had doen ontbranden. Een uiteenvallen van Joegoslavië scheen in de zomer van 1991 alleen al daarom onaanvaardbaar, maar was uiteindelijk toch niet tegen te houden.

Het goede voorbeeld heeft gewerkt. Voormalige lidstaten van het Warschaupact kiezen immers zonder uitzondering voor het lidmaatschap van de Europese Unie. Ook nieuwe landen tonen belangstelling. De Russische regering zegt voort te gaan op de weg naar democratisering, economische hervorming en oriëntatie op het Westen, zelfs nu de spanning over de aanvallen van de NAVO op Joegoslavië oploopt. Joegoslavië, of beter wat er van over is, vormt de uitzondering op dit algemene beeld. Het is dus niet zo vreemd dat Europa de hoop koestert ook de Joegoslaven te bewegen het goede voorbeeld alsnog te volgen.

Etnische spanningen zijn in Oost-Europa niet beperkt gebleven tot Joegoslavië. Tsjechoslowakije viel uiteen in de twee volken die deze staat omvatte. De omwenteling in Roemenië begon met een rebellie van de Hongaarse minderheid. Maar het perspectief van opneming in de Europese en Atlantische instellingen helpt voorkomen dat conflicten uit de hand lopen. Kandidaat-lidstaten moeten aan tal van voorwaarden voldoen, onder meer moeten zij hun etnische problemen oplossen. Zo hebben Hongarije en Roemenië de kwestie van de Hongaarse minderheid in dat laatste land geregeld en hebben Macedonië en Bulgarije onlangs een vergelijk bereikt over de status van de Macedonische taal. Ook met Griekenland bereikte Macedonië een compromis over gevoelige zaken als de eigen naam en vlag; dat vergelijk kwam overigens tot stand onder Amerikaanse druk.

Het is gewoonte geworden om de verantwoordelijkheid voor de ontsporing van Joegoslavië geheel bij Slobodan Miloševic te leggen. Hij wordt een dictator en tiran genoemd en hij wordt vergeleken met Hitler. De vraag is of een dergelijke etikettering de zaken verduidelijkt. Joegoslavië is op dit moment verre van een open samenleving. Maar uit wat daar nog werkzame journalisten aan reacties optekenen valt af te leiden dat de etnische politiek van Miloševic een oorspronkelijk Servisch gevoelen vertolkt. Het Servische oordeel over het lot van de Albanese meerderheid in Kosovo is even cynisch als het beleid van het regime in Belgrado. En dat oordeel klinkt niet alleen maar als het gevolg van effectieve propaganda. De Servische diaspora reageert bovendien weinig anders dan het thuisfront.

De aanpak van de NAVO is nu gereduceerd tot het uitdelen van een pak slaag zolang Miloševic zich niet bij de voorwaarden van Rambouillet neerlegt. Dat pak slaag treft meer en meer de Servische bevolking – in strijd met de verklaring van secretaris-generaal Solana bij de aanvang van de bombardementen dat de NAVO geen oorlog voert tegen die bevolking. In beginsel zal dat ook wel de bedoeling zijn, maar gezien de voortvarende verwoesting van de leefomgeving en de psychische druk die met continue luchtaanvallen gepaard gaat, zal de beleving in Joegoslavië een andere zijn.

De toestand in Joegoslavië is geleidelijk ver verwijderd geraakt van het Europese perspectief van de eerste jaren na de val van de Muur. Hoewel dat perspectief in het grootste deel van Europa verwezenlijkt lijkt te kunnen worden, dreigt de oorlog om Kosovo het hele continent in de tijd terug te plaatsen. Wat elders werkt, werkt niet in Joegoslavië. Ook bommen en raketten kunnen daaraan kennelijk weinig veranderen.

J.H. Sampiemon is commentator voor NRC Handelsblad.