Vergrijzing

Staatssecretaris Rick van der Ploeg wil de vergrijzing van het theaterpubliek tegengaan door het theaterbezoek van jongeren te bevorderen. Mark Duursma, kunstredacteur van deze krant, wierp in het CS van 19/3 de vraag op of er eigenlijk wel sprake is van vergrijzing van het theaterpubliek. Hij wees er op dat een stabiel aandeel jongeren minstens eens per jaar een theaterbezoek aflegt. Met deze verwijzing naar het stabiele publieksbereik van het beroepstheater onder jongeren is echter niet het hele verhaal verteld.

Het publieksbereik van het beroepstoneel is onder jongeren weliswaar constant, maar is constant op een relatief laag niveau. Onder jongeren is minder animo voor het theaterbezoek dan onder ouderen. Dit is steeds het geval geweest en duidt niet op vergrijzend, maar wel op een grijs publiek. Wel is de huidige lichting jongeren kleiner dan voorgaande lichtingen. Dit heeft enige vergrijzing van het theaterpubliek tot gevolg, zonder dat jongeren sterker ondervertegenwoordigd raken.

Behalve het percentage jongeren dat wel eens het theater bezoekt is ook de frequentie waarmee zij dat doen van belang. Per 100 Nederlanders werden in de loop van de jaren tachtig en negentig telkens een kleine 30 theaterbezoeken afgelegd. Onder jongeren daalde die bezoekfrequentie echter van 29 in de vroege jaren tachtig tot 22 in 1995. De jonge schouwburgbezoeker is een incidentele schouwburgbezoeker. Hun verminderde trouw aan het theater vertaalt zich in een zekere vergrijzing van het publiek. Dit vergroot de ondervertegenwoordiging van jongeren en heeft mogelijk consequenties voor de omvang van het theaterpubliek van de toekomst.

Vooruitblikkend naar mogelijke toekomstige dilemma's op het cultuurpolitieke vlak merkten we in het Sociaal en Cultureel Rapport 1998 op dat de kans bestaat `dat het publiek van de traditionele cultuuruitingen vergrijst en slinkt'. Die uitspraak berust op de gedachte dat de gewenning van jongeren aan hun brede scala van niet-culturele vormen van vrijetijdsbesteding de kans verkleint dat zij op latere leeftijd alsnog voor traditionele cultuuruitingen te winnen zijn.