Veel borrelpraat rond stijgend ziekteverzuim

Het marktmechanisme blijkt het ziekteverzuim niet op te kunnen lossen. Zouden zieke werknemers dan toch geen notoire slapjanussen zijn, die alleen willen uitslapen op maandagochtend?

De discussie over ziekteverzuim kenmerkt zich door een hoog borrelpraatgehalte. Het gaat te goed met Nederland, mensen kunnen zich best een dagje ziekte veroorloven, luidt één van de redeneringen, die zelfs is doorgedrongen tot de staatssecretaris van Sociale Zaken.

Maar het is niet de enige aangevoerde verklaring die uitmunt in eenvoud. Werkgeversvereniging VNO-NCW stelt dat werknemers die vaak ziek zijn, weten dat ze er als eerste uit gaan als banen op de tocht staan. Maar in deze tijden van krapte op de arbeidsmarkt maakt niemand zich daar nog zorgen over. Je kunt je dus rustig een dagje ziek melden. `Maandagmorgenziekte' heet dat.

Of deze: Volgens MKB Nederland is driekwart van het verzuim van zieke werknemers hun eigen schuld. Sportblessures, een auto-ongeval in privé-tijd, hartklachten en psychische problemen zijn de voornaamste oorzaken van ziekteverzuim, en die hebben niks te maken met de situatie op de werkvloer, aldus de werkgeversclub in het midden- en kleinbedrijf.

De mooiste van allemaal: de baas is nooit ziek. Ondernemers blijven niet zo maar een dagje thuis, het verzuim onder directeuren is nihil. Zie hier het bewijs dat zieke werknemers een stelletje slappelingen zijn.

De cijfers over ziekteverzuim van het Centraal Bureau voor de Statistiek schetsen een genuanceerder beeld. Het ziekteverzuim steeg het afgelopen jaar weliswaar van 5,1 naar 5,6 procent, maar het hangt niet van het karakter van werknemers af hoe vaak ze ziek zijn, maar van de omvang van het bedrijf en de sector waarin ze werken. De verschillen tussen het ziekteverzuim bij kleine, middelgrote en grote bedrijven zijn aanzienlijk. Kleine ondernemingen met minder dan tien werknemers hebben een stabiel laag ziekteverzuim van 2,9 procent. In voorgaande jaren is dat percentage alleen maar gedaald. Middelgrote bedrijven (tot honderd werknemers) zien het verzuim sinds 1996 gestaag groeien. Het afgelopen jaar steeg het met tweetiende procentpunt naar 4,7 procent. Voor de bulk van het ziekteverzuim en de groei daarvan zijn grote ondernemingen met honderd of meer werknemers verantwoordelijk. Het verzuim – midden jaren negentig stabiel rond 6,5 procent – steeg het afgelopen jaar fors van 6,7 naar 7,4 procent.

Blijkbaar slagen kleine en, in mindere mate, middelgrote bedrijven er wel in ziekteverzuim redelijk binnen de perken te houden, terwijl grote bedrijven falen. Dat verschil wordt niet bepaald doordat een cassière van Albert Heijn vaker griep heeft dan een werknemer van de buurtsuper. Het verschil zit hem vooral in het aantal verzuimgevallen dat wordt veroorzaakt door niet-lichamelijke klachten. Vaak gaat het dan om stress. De druk die op werknemers wordt uitgeoefend zou sinds het eind van de jaren tachtig zijn toegenomen, vooral bij grote bedrijven.

Terwijl het midden- en kleinbedrijf zich kenmerkt door relatieve arbeidsrust, worden werknemers van grote ondernemingen voortdurend geconfronteerd met reorganisaties, fusies en wisselingen in het management. Dit gaat gepaard met onzekerheid voor de toekomst en onduidelijkheid over wat van de werknemer verwacht wordt. Hoge werkdruk en sterke nadruk op prestatiegerichtheid doet een aantal werknemers de das om, zo denken veel verzuimexperts. In kleine ondernemingen speelt dat veel minder. Ziekte als gevolg van stress is daar meestal te herleiden tot een conflict op de werkvloer.

Naast bedrijfsgrootte speelt ook de bedrijfstak waarin iemand werkzaam is een rol. Het ziekteverzuim loopt per sector uiteen. De bouwnijverheid, die traditioneel met een hoog ziekteverzuim kampt, is er de afgelopen jaren door een intensief preventiebeleid in geslaagd het verzuim te beperken tot 4,7 procent. Een paar jaar geleden lag dat nog op 7,6 procent. De gezondheids- en welzijnszorg daarentegen kampt met torenhoge, voortdurend stijgende verzuimcijfers. In 1998 bedroeg het ziekteverzuim er 8,7 procent. Eén van de oorzaken hiervan, zo stellen de vakbonden, is dat werknemers in de non-profitsector door bezuinigingen steeds meer resultaat moeten boeken met minder middelen. Andere sectoren die hun ziekteverzuim zagen stijgen waren de industrie, nutsbedrijven, vervoerbedrijven, financiële instellingen en zakelijke dienstverleners.

Het ziekteverzuim is, ondanks de stijging, niet terug op het oude niveau van 1993, voor de ingrepen in de Ziektewet. Gemiddeld zat toen 6,7 procent van de werknemers ziek thuis. Na wetswijzigingen daalde dat tot 5,5 procent in 1994. De volledige privatisering van de Ziektewet in 1996 – die werkgevers sindsdien verplicht om hun zieke werknemers een jaar lang ten minste 70 procent van het loon door te betalen – leidde tot een bescheiden daling naar 5,1 procent. Dat verschil is door de groei in 1998 teniet gedaan.

Het marktmechanisme blijkt het ziekteverzuim dus niet op te kunnen lossen. Maar wat dan wel? Bedrijfsartsen strenger laten keuren, is niet meer dan symptoombestrijding. Financiële prikkels verleggen naar werknemers (wachtdagen invoeren, salaris inleveren), zoals VNO-NCW en MKB-Nederland voorstaan, stuit op massief verzet van de vakbeweging. Om de arbeidsrust te bewaren, gingen vrijwel alle werkgevers in `96 en `97 akkoord met CAO-voorstellen om het loon van zieke werknemers tot 100 procent aan te vullen.

Waar nog veel te winnen valt, is in de arbozorg. Arbodiensten zijn in het eerste ziektejaar verantwoordelijk voor de begeleiding van zieke werknemers en hebben daarvoor de nodige kennis in huis. Veel bedrijven hebben echter een goedkoop, maar daardoor beperkt, contract afgesloten met een arbodienst, omdat dat nu eenmaal verplicht is. De arbodienst beperkt zich in dat geval tot het registreren van zieken en het instellen van een arbo-spreekuur.

Het ziekteverzuim wordt verder op zijn beloop gelaten. Dat is echter hét middel om zieke werknemers de WAO in te jagen. Hoe langer een werknemer ziek thuis zit, hoe moeilijker het wordt hem weer aan het werk te krijgen. Voor verzuimbegeleiding geldt daarom: hoe sneller je erbij bent, hoe beter.