Vader kan het niet meer volgen

Met zijn vorige week verschenen boek `Levensnevel' sluit Kees van Kooten zijn autobiografische oeuvre af. Het televisie maken beëindigde hij vorig jaar al. Van Kooten over zijn nieuwe leven.

,,Als je leuk kunt struikelen'' – hij staat op en demonstreert een grappige struikelpas — ,,is dat knap.''

,,Als je een struikelpartij humoristisch kunt beschrijven, is dat knapper'', zegt Kees van Kooten. ,,En een verzonnen tekenfilmfiguur, zoals Goofy, grappig laten struikelen, waarbij je de hele beweging en zijn gezichtsuitdrukking moet verzinnen'' – hij staat weer op en struikelt als Goofy met het bijbehorende gezicht - ,,dat vind ik het allerknapst. De tekenaar heeft dat nooit gezien, hij haalt het uit het niets. Hij is de grootste komische kunstenaar.''

Hij tekent ook zelf. Met pen en inkt. ,,Maar een beweging tekenen, zoals Kamagurka die zijn stripfiguur Bert een stok laat weggooien voor zijn hondje, dat kan ik niet.'' Een tekenfilm van Kees van Kooten zit er voorlopig dus niet in.

Hoewel hij nu wel de tijd heeft. Want Kees van Kooten kreeg de afgelopen jaren steeds meer last van het gevoel waarmee de `Kees van Kooten', hoofdpersoon in het openingsverhaal van zijn verhalenbundel Veertig (1982), ook al kampte:

,,`Ik wou dat ik eens twee weken achter elkaar ongestoord kon schrijven!' riep ik op 9 augustus vanonderuit de aanrechtruimte in ons nieuwe keukengebeuren naar mijn vrouw omhoog.

`Wat moet je dan schrijven?', vroeg ze, kokend water op het koffiefilter gietend. `Twee weken maar!' riep ik, (-) `twee weken zonder al dit gezeur aan mijn kop.''' (`L'écrivain' in Veertig).

Iets moois schrijven, wil de `Kees van Kooten' in dit verhaal. Twee weken mag hij op schrijfvakantie en na een week is hij al weer terug. Thuis, om het gewone leven te hervatten.

Vandaar dat de echte Kees van Kooten het nu radicaler heeft aangepakt. Vijfentwintig seizoenen lang heeft hij grappig gestruikeld op televisie, als Vieze Man, als Wethouder Hekking, als Jacobse, samen met zijn compagnon Wim de Bie. Afgelopen jaar zijn ze, op Van Kootens verzoek, gestopt met hun wekelijkse satirische televisieprogramma.

,,De wekelijkse druk van die uitzending werd te groot en ik had het gevoel dat er aan ons als duo niets meer te verbeteren was. De typetjes werden afgeleiden van typetjes die we al gedaan hadden. Het was op. Dan moet je niet doorgaan. Het was niet spannend genoeg meer. Ik wilde stoppen. Wim is dapper genoeg om op televisie door te gaan, in zijn eentje. Ik zou dat niet durven. Ik wil dingen met een langere adem uitproberen. Ik wil een idee laten rijpen, ergens aan schaven. Ik heb nu een kinderboek geschreven, in 800 verzen, Het Schaampaard, dat in oktober uitkomt. Willem van Malsen maakte de illustraties. Dat wilde ik altijd al graag, een kinderboek schrijven. Om te kijken of ik dat kon, zo maar uit het niets.''

Het werk voor de televisie is niet het enige waar hij een streep onder heeft gezet. Vorige week verscheen Levensnevel, een nieuwe bundel persoonlijke, humoristische verhalen van Van Kooten, die, zegt hij, de serie autobiografische verhalen afsluit waarmee hij twintig jaar geleden begon, met Koot graaft zich autobio (1979). Hij schaarde zich daarmee in de traditie van vaderlandse humoristische auteurs als Simon Carmiggelt, en tegenwoordig Martin Bril in Het Parool, die humor en drama dicht bij huis zoeken.

Kromspraak

Aanvankelijk schreef Van Kooten helemaal niet zulke persoonlijk getinte verhalen. In zijn eerste columns voor de Haagse Post, gebundeld in Treitertrends, nam hij allerlei types op de hak door hun gesprekken te persifleren. In feite deed de `schrijvende' Van Kooten daar hetzelfde als wat hij met De Bie op televisie deed: met behulp van typetjes, met of zonder snor, satirisch commentaar leveren op maatschappelijke ontwikkelingen.

Midden jaren zeventig, toen Van Kooten en De Bie op televisie veranderden in Koot en Bie van het Simplisties Verbond, nam het neurotische typetje Koot-met-alpinopet het over in de columns van Van Kooten. Die becommentarieerde het dagelijkse leven in onnavolgbaar Kootiaanse kromspraak als: `Quarakter niet opgeruimd van aard omdat ik vrij abrupt pessimeer, ben ik wel geneigd naar netjes in mijn alledaags concreto.' (Koot droomt zich af, 1977). Deze geschreven Koot weidde graag opgewonden uit over het ongemak van moderne warmwaterkraanvormgeving, of hoe je van een paperclip een oorpeuter-stokje kon maken - vaak met een priegelige Koot-tekening ter illustratie erbij. Een uitgesproken gezinsleven had deze Koot niet. Dat veranderde in 1979.

,,Toen mijn vader overleed in 1979 ben ik autobiografisch gaan schrijven. Ik zocht een directere vorm om daarover iets te vertellen.'' Van Kootens verhalen worden vanaf dat moment persoonlijker van toon. We maken kennis met zijn gezin. Met zijn vrouw `B. die binnenkomt met de T.' als Koot ziek in bed ligt. Met de kinderen Kim en Kasper die bij de zieke schrijver in bed kruipen. En met des schrijvers moeder en met zijn vader, die overlijdt en van wie Van Kooten geserreerd afscheid neemt, in hoofdstukken als `Zijn schoenen' en `Zijn koffer' (Koot graaft zich autobio).

We zijn twintig jaar en tien boeken over vrolijke gezinsperikelen verder (Veertig, Modermismen, Zeven Sloten etc.). Nu zijn moeder van achter in de tachtig bijna in de mist van de tijd lijkt te verdwijnen - ze wordt steeds vergeetachtiger - en ,,de kinderen groot zijn, de mensen kunnen zelf volgen wat ze doen'' (Kim is actrice en schrijfster, Kasper muzikant en acteur) vindt Van Kooten het genoeg. ,,Het is mooi afgerond zo.''

Levensnevel is het persoonlijkste en meest melancholische boek dat Van Kooten ooit schreef. Persoonlijker wordt hij niet. Alle verhalen, hoe humoristisch ook, hebben de vergankelijkheid als thema, of zoals hij het zelf achterin het boek omschrijft: `het krimpende leven en de uitdijende dood'.

Het is meer dan particulier verdriet dat hij beschrijft: het is herkenbaar, navoelbaar, ieders verdriet: `Alle vrouwen hier zijn mijn bejaarde moeder en ik ben alle middelbare mannen', observeert Van Kooten.

`Ik ben nu al driemaal van een crematie thuisgekomen om bij de post de volgende rouwenveloppe te vinden en het ging in alle gevallen om familieleden die ik onvergeeflijk had verwaarloosd', schrijft hij in het verhaal over de broer van zijn vader, oom Gé, die hij nog kort voor zijn overlijden opzoekt in het bejaardentehuis. Ook die oom vindt Van Kooten niet alleen maar persoonlijk: ,,Hij was een oom zoals die in duizenden families voorkwam. Hij reisde de wereld af, andere familieleden mompelden wat over `cigaretten, drank en vrouwen': hij staat voor de oom die met zijn verhalen en foto's de wijde wereld in de besloten Hollandse huiskamers van het wederopbouw gezin bracht.''

Er zit veel verlangen naar de jaren vijftig in dit boek - zoals in veel van Van Kootens werk.

Weemoed

De schrijver kan in Levensnevel niet meer bijhouden welke films en tv-programma's zijn dochter allemaal dagelijks consumeert. Zelfs de boeken die zijn vrouw leest zijn hem onbekend. Vader kan het allemaal niet meer volgen.

Dat verlangen naar de jaren vijftig, die hang naar wat rustiger dagen lijkt erg op de sfeer die Van Kooten zelf goed trof in zijn lied 1948, Toen was geluk heel gewoon, op muziek van Gilbert O'Sullivan's hit Alone Again, Naturally, met regels als: `Wij waren heel erg arm/ En niemand hield van ons/ En we hadden thee en nog geen tv/ Maar wel radio en lange vingers.'

,,Dat vind ik één van mijn beste werken: het gevoel wat ik over die tijd heb, komt daarin goed naar voren, zonder dat het al te sentimenteel wordt. Ik vind ook echt dat er veel in de nevel van de snelheid verloren gaat. Ik wil niet beweren dat de jaren vijftig nu zo'n geweldige tijd was, maar de wellevendheid van toen vind ik aangenaam'', zegt Van Kooten.

Hij komt met voorbeelden. ,,Er is net een boekje verschenen over de invloed van ons televisieprogramma op de taal, Jemig de pemig. Aardig, daar niet van. In een interview had ik gezegd dat ik het aardig zou vinden als we misschien een flesje wijn gekregen zouden hebben van de uitgever. Dat was niet gebeurd. Maar de dag na dat interview staat de uitgever op de stoep met... een fles wijn. Tsja. Het gaat me er niet om dat ik zonodig wat hebben wil. Maar ik vind het zo armoedig. Had dan een klein vliegtuigflesje wijn gegeven, of een enorme reuzenfles: had er iets mee gedaan. Dat bedoel ik. Die soort wellevendheid is er niet meer. Het zal wel komen omdat ik ouder word, maar er gaat veel weg dat niet meer terug te halen is. De tussentijd bijvoorbeeld. De tussentijd verdwijnt.''

De tussentijd?

,,Ja. Mijn vader had bijvoorbeeld een oude zwart-wit camera, en als hij op vakantie een foto maakte, dan duurde het minuten lang voordat die genomen was. We moesten poseren, wachten. Dan liet hij het filmpje met twaalf foto's na de vakantie ontwikkelen, dat duurde dan een week of drie. Dan fietste je uit school naar huis, met een brok van opwinding in je keel, want je dacht: misschien zijn de vakantiefoto's er al! Zulke emoties, dat soort plezier, die tussentijd gaat verloren. De een-uurs ontwikkelservice is nog niet snel genoeg, er is nu ook al een 27-minuten service. Alle behoeften moeten onmiddellijk bevredigd worden, daarop is alles gericht. De tijd van de velocipède hoeft niet terug, het gaat mij om een manier van leven waar ik me lekker bij voel. En daarbij hoort dat jaren vijftig-gevoel, de behaaglijkheid van het weinige. Dat mis ik, dat lijkt te verdwijnen.''

Dat aspect speelt ook mee in zijn beslissing om voorlopig te stoppen met de televisie. ,,Toen we begonnen met Van Kooten en De Bie op televisie, kon je je een voorstelling van het publiek maken: je zag een stadion vol voor je, dat naar je zat te kijken. Want er waren nog maar twee netten, en de mensen keken of wel of niet. Nu is het beeld van het publiek door het grote televisie-aanbod zo vervaagd, je kunt je daar geen voorstelling meer van maken.''

Vandaar dat hij zijn publiek op een kleinschaliger niveau zoekt. Af en toe (`het moet geen routine worden') treedt hij op in het theater De Kleine Komedie met een programma dat hij put uit zijn vijftien bundels komische verhalen, die hij uit zijn hoofd heeft geleerd. Hij trad al wel eerder op, en las dan voor van papier, ,,maar nu ik het uit het hoofd doe, heb ik beide handen vrij. Als je voor een zaal staat krijg je onmiddellijk reactie. Dat houdt je scherp.''

In feite doet hij wat veel komische kunstenaars doen: in kleine zalen zoeken ze naar hun vorm. Proberen grappen uit. Van Kooten – ,,Een goed komisch verhaal duurt voorgelezen zo lang als een popsong, zo'n drie minuten'' – zoekt een nieuwe vorm. ,,Ik denk er over een toneelstuk te schrijven. Over wat ik nu met mijn moeder meemaak. Er moeten veel zonen zijn, die zoiets meemaken. Terwijl die mannen misschien ook net kleinkinderen hebben. Hoe beïnvloedt dat je leven? Wat voor problemen levert dat in je familie op? Daarover wil ik een stuk schrijven. Kijken of ik dat kan.''

Nijhoff

Aan Kees van Kooten en drie andere Nederlandse humoristische schrijvers, Simon Carmiggelt, Godfried Bomans en Kees Stip, is op dit moment een expositie gewijd in het Letterkundig Museum in Den Haag, getiteld Lichte Letterheren. Van Kooten wijkt af van de overige drie omdat hij zich altijd meer bezig heeft gehouden met de vorm dan zijn collega's. We lezen in zijn grappige verhalen niet alleen over dochter die een zanglijster in huis haalt, of zoon die eerst niet en dan weer wel van de hoge durft te duiken, of van vader Kees die bij de Tour de France van de fiets valt. Hoe persoonlijker Van Kooten schrijft, des te meer hij de lezer ook deelgenoot maakt van zijn twijfels als humoristisch auteur: wat is leuk? Hoe schrijf je het leuk op? Vooral toen hij pas autobiografisch ging schrijven, waren die overpeinzingen van de komische kunstenaar vaak het onderwerp van de verhalen - verweven met het wel en wee van het gezinsleven.

De schrijversproblematiek is al duidelijk in het hierboven aangehaalde verhaal. Alleen al het zinnetje ` `Wat moet je dan schrijven?', vroeg ze, kokend water op het koffiefilter gietend.' verraadt Van Kootens literaire ernst en preoccupatie met de vorm. Want dat zinnetje verwijst naar een van de beroemdste schrijversimpasses uit de Nederlandse literatuur, het gedicht Impasse van Martinus Nijhoff, waarin de dichter met zijn vrouw in de keuken staat en aan haar vraagt: waarover wil je dat ik schrijf?: `Dan antwoordt zij, terwijl zij langzaamaan/ druppelend water op de koffie giet/ en zich de geur verbreidt: ik weet het niet.' Nijhoff maakte ook een variant op dat gedicht, waarin hij de vrouw laat antwoorden: `Een nieuw bruiloftslied.'

En dat is precies wat Hedonia, Van Kootens volgende boek uit 1984, is. Het gaat over de vrouw Barbara van de Nederlandse komiek Kees van Kooten die, als vertaalster van filmscenario's van Woody Allen, een bezoek brengt aan de New-Yorkse komiek en hem interviewt. Het verhaal wordt verteld door de gek van jaloezie achterblijvende Van Kooten, die niet alleen hoge lof zingt van zijn vrouw, maar ook probeert vast te stellen wat leuk is. Hij haalt de oude Grieken erbij, vaderlandse humoristen en de door hem bewonderde Amerikaanse komische auteurs als Stephen Leacock, Robert Benchley en S.J. Perelman. Hij komt tot de conclusie dat Woody Allen niet echt leuk is. Hij vindt het te geconstrueerd wat Allen doet - hij is niet `natuurleuk' zoals Van Kooten het noemt. ,,Het geschreven leuk van de adembenemende humoristen Benchley en Perelman is voor het overgrote deel gebaseerd op de hilarisch vertekende zwakheden van de zeer menselijke Ik-figuur'', schrijft Van Kooten in Hedonia. Daarmee geeft hij een blauwdruk voor de `Kees van Kooten' in de autobiografische verhalenbundels, die het kattenluik in huize Van K. boven in plaats van onder in de deur aanbrengt, en de koffer met een vol chemisch toilet bij de receptie laat leegstromen. Bekentenisliteratuur, vol zieleroerselen en informatie over het privéleven, is Van Kootens autobiografische werk helemaal niet. Het gezin Van Kooten vertoont een sterke overeenkomst met een handigheidje van het tekenfilmkonijn Roger Rabbit. Hij zit met een handboei vast aan een privé-detective in de film Who Framed Roger Rabbit?, gespeeld door de echte acteur Bob Hoskins. Die doet alle moeite om zich, met vijlen en dergelijke, te bevrijden van de handboei waarmee hij en het tekenfilmkonijn aaneengeklonken zijn. Hij is druk bezig, tot Roger gewoon zijn getekende hand uit de boei haalt. `Kon jij dat de hele tijd al?' vraagt de boze Hoskins. `Alleen als het leuk is', verontschuldigt Roger zich. Datzelfde geldt voor de gezinsleden van Van Kooten: ze komen alleen ten tonele als ze aanleiding zijn voor herkenbare leuke (of ontroerende) situaties.

`Niets is grappig als er geen grond van waarheid in zit', schrijft Van Kooten in Hedonia. Het is nog steeds zijn credo als auteur: ,,Het moet waar gebeurd kunnen zijn.'' Hij voelt zich daarin vooral verwant met Carmiggelt. Hoewel hij voor hun virtuoze vondsten grote waardering heeft, rekent hij Bomans en Stip toch meer tot de barokke, `geconstrueerde' humoristen. En eigenlijk ontbreekt er een lichte letterheer op de expositie in het Letterkundig Museum vindt Van Kooten: Remco Campert. ,,Hij is een meester in het natuurleuk schrijven. Hij kan de werkelijkheid een lichte draai geven, zodat je er de tragiek van inziet. Zulke humor waardeer ik het meest. Je loopt op straat, het is stralend weer en je ziet een man in keurig pak, die woedend confetti uit zijn colbertzakje haalt en dat op straat staat te gooien. Daar kan ik enorm van genieten.''

Het gedicht op de achterflap van Levensnevel is wat dat betreft programmatisch. Het bezingt voorvallen die je van de werkelijkheid cadeau krijgt, bijvoorbeeld als je naar een saaie film kijkt: `Zich van geen film bewust/ rijdt een foute auto/ in een rare richting.' Hoe de filmmakers ook moeite hebben gedaan om een historisch decor op te bouwen, tussen alle `authentieke auto's, bakkerskarren' en urinoirs `pronkt een moderne Japanse kers/ met exact zijn eigen leeftijd.// Deze prunus meeleven, de maker voorbijstreven/ en bloeien bezijden de bedoelde getijden;/ even.'

Zo wil hij dat zijn humor is, zegt Van Kooten: het moet `bloeien bezijden de bedoelde getijden.'

Kees van Kooten, Levensnevel, De Bezige Bij, f 29,90.

Vier lichte letterheren, Letterkundig museum, Den Haag, t/m 12/9.