Strategisch verspreide hapjes

NEW YORK. Mijn boeken verkopen niet meer. Daarom ben ik op zoek gegaan naar andere middelen van bestaan. Iemand zei: ,,Het trekt wel weer aan na je dood.'' Maar daarop kan ik niet wachten. En om voor aantrekkende verkoop te sterven vind ik ook zo onromantisch.

Wel een mooie tekst voor op de grafsteen: `De verkoop trok niet aan'.

Ik heb een kennis die in de catering zit. Zijn naam is Michael Baumgold en van boven is hij kaal. Hij komt bij rijke mensen thuis die hun huis niet meer uitkomen, maar die toch feesten willen geven. Of die familieleden te eten willen vragen, maar niet zelf willen serveren. Nu de inwonende dienstmaagd niet zoveel meer voorkomt, heb je de uitwonende dienstmaagd. Michael Baumgold is zo'n uitwonende dienstmaagd.

,,Als uitwonende dienstmaagd'', zei Baumgold, ,,moet je veel reten likken. Ik ben een professionele reetlikker.''

Het spreekt vanzelf dat een professionele reetlikker alleen rijke reten likt. Dat ik mij af en toe in gezelschap van een professionele reetlikker bevind, geeft mij de illusie rijk te zijn.

Dat Baumgold het met al zijn talenten niet verder heeft geschopt dan uitwonende dienstmaagd kwelt hem wel eens.

Maar daarom drinkt hij zoveel dat hij heeft uitgerekend dat hij voor het jaar 2005 zijn lever uit zal poepen. De dag dat zijn lever naar buiten komt moet een feestdag worden, heeft hij verklaard.

Ik vertelde hem over mijn financiële malaise en dat mijn leven veel gelijkenis was gaan vertonen met een trein die langzaam ontspoord was. In een maïsveld. In een ontwikkelingsland.

Hij zei: ,,Je kan in de catering terecht, ik kan altijd wel een knechtje gebruiken.''

Dat aanbod nam ik gretig aan, er heeft altijd al een knecht in mij gezeten. De eerste opdracht vond zaterdagavond plaats.

Ik hees mij in een gehuurde smoking en deed een oranje vlinderdasje om, want dat droeg Michael Baumgold ook en hij vond dat wij er identiek uit moesten zien. Wij zagen eruit als twee doorgewinterde homo's, maar dat stoorde mij niet.

Wij traden in dienst van het echtpaar April en Josh. Ze verwachtten veertig gasten.

Baumgold stelde voor dat ik maar niet moest zeggen dat ik Arnon heette. Het echtpaar had gezegd dat het hen niet uitmaakte wie er kwamen cateren, maar dat ze liever geen negers over de vloer wilden.

Eén ding was zeker. Ik was geen neger, zelfs geen witte.

April en Josh waren al behoorlijk nerveus toen wij hun appartement betraden.

Ik stelde mij voor als John.

Het was de eerste keer dat ik in dienst was van een professionele reetlikker, dus ik wist nog niet automatisch wat er van mij werd verwacht.

,,Begin er maar mee de hapjes strategisch door het huis te verspreiden'', zei Baumgold.

Hapjes stonden op grote zilveren schalen in de keuken. Kip aan stokjes, loempiaatjes waar de vulling uitbarstte, eieren die gevuld waren met iets dat sterk deed denken aan kattendiarree.

Ik begon de hapjes strategisch door het huis te verspreiden.

Mijn gehuurde smoking zat niet echt lekker. Het jasje was iets te klein in de schouders en de broek was iets te lang. Vooral als ik mijn armen strekte hoorde ik het kraken.

Er waren lang niet genoeg tafeltjes voor alle hapjes. Ik zette er maar een paar op het bed.

Ik dacht: als er veertig gasten komen, zullen ze zich wel vrijelijk door het huis bewegen.

Maar toen April zag dat er een schaal met loempiaatjes strategisch op haar hoofdkussen balanceerde, kreeg ze iets wat volgens mij een zenuwinzinking wordt genoemd.

Ze had een jurk aan die reusachtig uitkijk bood op haar tieten.

Ik verwijderde de schaal loempiaatjes.

Het was de bedoeling, zei April, dat ik de jassen aan zou nemen en daarna met de schalen rond zou lopen, want mensen durfden misschien niet zelf te nemen. Ik zou zo'n ei met kattendiarree nog niet in mijn mond steken als ze me zouden martelen, maar dat liet ik natuurlijk niet merken.

Michael Baumgolds overgrootvader was rabbijn geweest, maar Michael had zich bekeerd tot een Lutherse kerk en zijn neus recht laten zetten om toegang te krijgen tot de betere kringen. De kringen die wel thuis bediend wilden worden, maar niet door negers en ander ongedierte.

Om half acht kwamen de eerste gasten.

Ik ging bij de deur staan en nam jassen aan.

Niemand zag mij. En iedereen zag er hetzelfde uit.

,,Heel goed'', zei Michael, ,,een professionele reetlikker is soms onzichtbaar.''

Daarna ging ik rond met de hapjes en maakte cocktails klaar.

Als mensen vervelend waren spoog ik in hun glas, en als het echte klootzakken waren liet ik er wat snot in vallen. Een beetje snot valt in een cocktail helemaal niet op.

Toen alle mensen binnen waren en ze dronken begonnen te worden, nam Michael mij apart.

,,Hier'', zei hij, en gaf me een stapel ééndollarbiljetten.

,,Je gaat nu naar de garderobe, doorzoekt de jassen en verwisselt de twintigdollarbiljetten voor ééndollarbiljetten.''

,,Dat kan niet'', zei ik, ,,dat is diefstal.''

Niet dat ik principieel tegen diefstal was, maar ik deed het liever niet zelf, ik wil dat anderen het voor mij doen.

,,Nee'', zei Michael, ,,contant geld is geen geld, dus dit is geen diefstal.''

Ik ging naar de gang waar de jassen hingen.

De eerste jas was het moeilijkst.

Sommige mensen hadden een portemonnee in hun jas laten zitten, anderen hadden gewoon wat los geld in de zakken gepropt, en sommige jassen waren helemaal leeg.

Als er iemand binnenkwam deed ik net alsof ik de jassen aan het gladstrijken was en zei ik vriendelijk: ,,Goedenavond, de wc is de andere kant uit.''

Een heel oude man, met een stok, zei: ,,Ik zoek de wc niet, ik voel me niet zo goed.''

Ik liet hem op een kruk zitten en haalde wat te drinken voor hem.

Toen hij weer terugging naar het feestgewoel hervatte ik mijn werkzaamheden.

Veel schrijvers slepen stukjes werkelijkheid het hol van hun fictie binnen. Ik probeer juist mijn fictie het hol van de werkelijkheid binnen te slepen. Met alle gevolgen van dien.

Misschien was mijn leven niet zo ontspoord als ik wat minder fictie het hol van de werkelijkheid binnen had gesleept. Maar ik beklaag me niet. De meerderheid wil er wel over lezen, maar het niet meemaken. Ik wil er niet over lezen, ik wil er naast staan, ik wil het ruiken, ik wil zelf bepalen welke details de moeite waard zijn en welke niet.

Een wereld die niet door mij geordend is en die niet onder mijn regie staat, vind ik onacceptabel. In zo'n wereld wil ik niet leven.

Toen ik alle jassen had gehad, had ik ruim duizend dollar in mijn hand.

Ik ging weer terug naar binnen.

In de slaapkamer had zich een groep vrouwen gebogen over een baby.

In de woonkamer zaten de anderen, helemaal dronken.

Michael en ik ruimden de bar leeg. De ongeopende dure flessen drank stopten wij in een rugzakje. De goedkope flessen lieten wij achter.

Ook verdween er nog wat tafelzilver in het rugzakje. ,,Dat hebben April en Josh toch niet meer nodig'', zei Michael.

Toen kreeg ik het rugzakje op mijn rug gebonden.

En Michael zei: ,,Ga maar vast naar beneden, ik ga even afrekenen met Josh.''

Die avond besloot ik dat ik wilde sterven aan een overdosis smart. In mijn slaap. Anders hoefde het voor mij helemaal niet meer.

Baumgold kwam naar beneden. Hij had ook een rugzak op zijn rug vol met flessen drank en tafelzilver.

Zo werd ik knecht van een professionele reetlikker.

En ik ben gaan roken. Indonesische sigaretten die naar kaneel smaken en bruin van kleur zijn. Om de smart uit te roken. Zoals je een konijnenhol uitrookt.