Schoonheid voor iedereen

De ideologische wortels van de Art Nouveau-beweging worden blootgelegd in drie exposities in het voormalige centrum van de nieuwe kunst te Nancy.

Iedereen kent de Art Nouveau-métro-ingangen van Parijs. Maar het Franse hart van die beweging lag in Nancy. Een groep glazeniers, meubelmakers en schilders rond Emile Gallé groeide daar eind vorige eeuw uit tot beoefenaars van een nieuwe kunst die zich nauwelijks bewust bezighield met wat Duitsers `Jugenstil' noemden en de Britten en Amerikanen `Modern Style'.

Een wijde, glazen kom in helder blauw, groen en beige vertelt het verhaal van de Art Nouveau in Nancy. Het schuim van de zee spat er van af, een donker bos doemt op de achtergrond op. La Grande Communion de la Nature is de titel. Emile Gallé legde er in 1900 alles in wat hem dreef: kennis van de chemie en de levende natuur, en de wil met artistieke en industriële middelen de omgeving zin en schoonheid te geven. Kunst voor iedereen.

Dat was het programma waarmee deze erfgenaam van een Lotharingse glasfabriek voor een vernieuwing zorgde die Parijs tijdelijk het nakijken gaf. `Art Nouveau' was de naam van een winkel in Parijs, gedreven door de Duitser Bing die als eerste begreep dat er handel zat in wat op veel plaatsen in Europa ontstond als verzet tegen de heersende neo-stijlen.

Een eeuw later is Art Nouveau voor de meesten de Engelse knapenkunst van Aubrey Beardsley, de krulkus van Klimt in Wenen, Horta's Brusselse villa's, de posters van Toulouse-Lautrec. Sierlijke, bijna behaagzieke illustraties bij een wereld die afscheid ging nemen van de negentiende eeuw en nog niet wist hoe de twintigste er uit zou zien.

Optimisme

In Nancy was Art Nouveau geen luxe, maar een nieuwe kunst voor een nieuwe tijd. Emile Gallé en zijn collega's van de Ecole de Nancy hoopten op een wereld met meer kansen en schoonheid voor iedereen. Deftig Frankrijk had het goed begrepen en keerde zich, na een modieuze eerste vlaag van bewondering, af van deze nieuwlichters met hun optimistische ideeën, gebaseerd op natuur en eerlijkheid.

De dromerig krullende bloemmotieven van de Franse Art Nouveau werden na de Eerste Wereldoorlog al snel afgedaan als decadent. Via Art Déco kwam de oppervlakkige sierlijkheid van de Art Nouveau nog eens commercieel terug in de jaren '20 en '30. Buitenlandse varianten, zoals Rennie Mackintosh in Glasgow en Antonio Gaudi in Barcelona hadden gebouwd en bedacht, kregen in de loop van de eeuw steeds meer belangstelling op het hele continent.

Hoe persoonlijk hun oplossingen ook waren, al deze Art Nouveau-kunstenaars waren schatplichtig aan de Arts and Crafts movement van John Ruskin en William Morris, Europa's eerste Groenen, de Engelse critici van de lelijkheid die de industriële maatschappij met zich had meegebracht. Halverwege de tweede helft van de negentiende eeuw adviseerden zij terugkeer naar het middeleeuwse ambacht. De keus van de ambachtskunstenaars uit Nancy, die ook schoonheid, nut en betaalbaarheid zochten, was praktischer. Zij accepteerden de vooruitgang.

Emile Gallé, de glas-, aardewerk- en meubelkunstenaar en peetvader van de Art Nouveau beweging in Frankrijk, worstelde zijn hele leven met de combinatie van zijn maatschappelijke en artistieke overtuiging én de noodzaak commercieel te overleven. Op het hoogtepunt van zijn activiteit had hij 200 mensen in dienst, een verantwoordelijkheid die hem zwaar drukte. Hij zocht een evenwicht tussen industriële methoden en scheppend kunstenaarschap, geholpen door een grondige kennis van de botanie en de geologie. Hij was de Pasteur van de decoratieve kunst. Gallé omhelsde de natuur voor vorminspiratie, maar niet om zijn eigen tijd te ontkennen. En passant streed hij nog tegen het broeiend antisemitisme dat zich, zeker in de frontlijnstad Nancy, ontlaadde op de kapitein Dreyfus, die Franse militaire geheimen aan de Duitsers zou hebben verraden. De affaire duurde decennia, verscheurde alle lagen van de bevolking en kostte Gallé veel vermogende klanten. Vóór zijn ontijdige dood in 1904 wist Gallé (geboren in 1846) dat zijn idealen het zouden afleggen. De droom had ruim tien jaar geduurd. Nancy kon de broedplaats van de Franse Art Nouveau worden dankzij de Frans-Duitse oorlog van 1870. De Vrede van Frankfurt (1871) verschoof de grenzen zodanig naar het Westen dat een stroom Fransen met geld en ondernemingslust uit de Elzas en een deel van Lotharingen vluchtten naar Nancy, toen meer dan ooit de hoofdstad van het oosten van Frankrijk. De stad verdubbelde binnen een paar jaar. De ambachtelijke en tuintradities uit de streek en een naoorlogs opbouw-elan leverden een creatief klimaat op waarin Nancy tijdelijk kon schitteren.

Nieuw museum

Het Musée des Beaux Arts aan de Place Stanislas is in 1999 een symbool van weer een nieuw begin voor Nancy. De streek is nog steeds niet bekomen van de bruuske sluiting van de staalindustrie. De stad investeert consequent in zijn erfgoed en in onderwijs en onderzoek om zich een toekomst te scheppen. De kennisindustrie moet groeien, de toeristen komen sneller. Sinds het oude museum in februari met een moderne vleugel en een verdubbeld oppervlak weer openging zijn er al 90.000 bezoekers geweest. En de stroom is nog lang niet opgedroogd.

Directeur Béatrice Salmon, in '95 overgekomen uit het Parijse Centre Pompidou, geeft toe volstrekt overvallen te zijn door de toeloop. Vóór de renovatie kwamen er 18.000 scholieren per jaar, plus individuele liefhebbers. Mét het nieuwe publiek is zij bijna het meest opgewonden over haar ondergrondse gewelven. Boven de grond is haar museum een wonder van harmonie, de nieuwe vleugel van architect Laurent Beaudoin is consequent modern, en laat toch het 18de-eeuwse hoofdgebouw ademen. Tijdens de voorbereiding van de nieuwbouw werden in de grond onverwachts verdedigingswallen van Karel de Stoute gevonden. De plannen zijn zo aangepast dat asymmetrische, bijna mysterieuze ruimtes zijn ontstaan met als onverwacht hoogtepunt een prachtig opgestelde verzameling van bijna alles wat de Daum glasfabrieken in Nancy hebben voortgebracht. Mede dankzij inrichting en belichting van de scenograaf Philippe Renaud krijgt de concurrent van Gallé een nieuwe brille.

In de nieuwe vleugel van het Musée des Beaux Arts wordt de minst bekende variant van de Art Nouveau tentoongesteld, de schilderkunst. Gegroepeerd rond twee medestanders van Gallé, Victor Prouvé en Emile Friant, is hier een serie binnen- en vooral buitentaferelen te zien waar ieder Art Nouveau-cliché aan ontbreekt. ,,U had hier misschien Klimt-achtige schilderijen verwacht. Niets is minder waar'', zegt Salmon. ,,Dit is - anders dan men vaak denkt - een rijke schilderperiode. Friant en Prouvé waren geen provincialen. Zij waren even goed thuis in Parijs als in Nancy.''

Vergelijkingen met tijdgenoten elders in Europa blijken steeds net niet op te gaan. De schilders staan dichter bij Holman Hunt dan bij Burne-Jones, maar hun sociaal-realisme is nooit zwaar of belerend. Soms komt een in de natuur gevoed symbolisme om de hoek kijken, zonder dat het academisch wordt zoals bij Alma Tadema. Prouvé liet zich inspireren door Dante, Rubens en Rodin, om de rondingen in veel van zijn scènes te duiden. Friant en Prouvé zijn minder modern dan Munch, minder knap dan Whistler, minder tijdloos dan Cézanne, maar warmer dan Ensor. Dat geldt ook voor tijdgenoot Emile Besnard uit Nancy, al drijft hij op den duur af naar een ongezellig soort esoterie die aan Puvis de Chavannes doet denken.

Verrassende schilders, bekwaam, misschien terecht nooit erkend in de hoogste sferen van de schilderkunst, maar Art Nouveau? Jean-Paul Midant, specialist van de periode en mede-organisator van de tentoonstelling: ,,Art Nouveau is een geestesgesteldheid, de wil de omgeving te verheffen boven het gewone, het leven los te maken van het lelijke. Als je naar deze schilderijen kijkt zie je dezelfde ambitie. Deze mensen hadden dezelfde motieven en dezelfde politieke boodschap als Gallé, en Gaudi in Barcelona. Nancy was in die tijd niet marginaal in Frankrijk.''

Ambachtelijk

De oprichting van de Ecole de Nancy in 1901 was een poging de strijd te bundelen. Gallé zag dat de lokale concurrentie de gemeenschappelijke uitstraling schaadde. Van toen af aan hebben hij, Antonin Daum, Emile André, Jacques Gruber, Pierre Majorelle (meubels) en alle andere kunstenaars-fabrikanten uit Nancy de handen ineen geslagen. Om hun principes en hun producten verder te brengen in de wereld. Zoals het Morris in Engeland verging, liep het ook af met de ambachtelijke kunstenaars uit Nancy: wat echt mooi was bleef onbetaalbaar voor de gewone man. Het is geen toeval dat op de tentoonstelling Ecole de Nancy, 1889-1909, Art Nouveau et industries d'art (Galeries Poirel) vooral de eenmalige topstukken te zien zijn waar vermogende klanten uit heel Europa en Amerika grif geld voor betaalden. Ook de Nederlandse koninklijke familie was van de partij. Het is een aaneenschakeling van hoogtepunten van keramiek, glas- en inrichtingskunst, boekbanden en zelfs een jurk als een rivier. Maar vooral een bewijs van waar Emile Gallé toe in staat was als hij met al zijn kennis van de chemie en de aarde zijn artistieke hart liet kloppen. Zijn ziel lag er in, zijn creativiteit was verreikend. Een onderschat genie. Of was de zorgelijke industrieel ook een alibi voor de kunstenaar die niet nostalgisch wilde zijn, maar schreef: ,,Mijn wortels liggen in het diepst van de bossen''?

Musée des Beaux Arts, Place Stanislas. Galeries Poirel, Rue Victor Poirel. Musée de l'Ecole de Nancy. Drie tentoonstellingen tot en met 26 juli, open alle dagen behalve dinsdag, van 10-19 uur. Telefonische inlichtingen Ecole de Nancy-jaar: 0033.38.317.1999; in Nederland: Maison de la France, Prinsengracht 670, tel: 0900-1112213 (1 gulden per minuut). Office du Tourisme Nancy, Place Stanislas: 0033.38330.2339.