Ridder

Geachte heer Sweep,

Ik ben wanhopig. Uit de krant van gisteren vernam ik dat u, drs P.G.M. Sweep, lid van de toewijzingscommissie aanleunwoningen verzorgingstehuis St. Alphonsus en serviceflat Ameide te Helmond, ridder in de Orde van Oranje-Nassau bent geworden.

U deelt deze in alle opzichten vorstelijke onderscheiding met mensen als J. Dokter, ambulant melkhandelaar in Loosdrecht, mevrouw J.G.C.M. Teunissen-de Kleermaeker, vrijwilligster van de Soefi Beweging Nederland in Den Haag, J.P. Woordes, secretaris van de wandelvereniging `Willen is Kunnen' uit Alphen aan den Rijn en mevrouw M.J. Janssen-Verhagen, secretaris van de vereniging `Bejaard maar Jong' in Haalderen.

Uiteraard gun ik u allen deze onderscheiding van harte. Ik hoop dat u van mij wilt aannemen dat jaloezie en rancune niet mijn drijfveren zijn bij het schrijven van deze brief. Het enige dat ik van u wil weten is: wat is uw geheim? Hoe heeft u of uw omgeving – of beide – het in vredesnaam voor elkaar gekregen? Welke machtige lobbymachinerie moet ik in werking zetten om hetzelfde resultaat te bereiken?

Kijk, dat een Joop van Zijl, een Jeroen Krabbé en een Wieteke van Dort (zeg maar respectievelijk de Nederlandse Jeremy Paxman, Ingmar Bergman en Ella Fitzgerald) een dergelijke eer te beurt valt – daarmee kan ik goed leven. TV-presentatoren en kunstenaars die, zoals zij, hun onvergetelijke stempel op deze tijd drukken, horen geëerd te worden. Ook over de onderscheiding van mijn Telegraaf-collega Thomas Lepeltak (`Stan Huygens') zult u van mij geen kwaad woord horen, want ieder land krijgt nu eenmaal de onthullingsjournalistiek die het verdient.

Voor mij is alleen de vraag, en ze keert ieder jaar met grotere grimmigheid terug: waarom ik niet? De tijd dringt. Wáár en wanneer is het met mij verkeerd gegaan? Kunt ú mij dat zeggen?

Weet goed dat ik mijn plaats ken. Met het vullen van een dagelijks hoekje in de krant met 430 woorden win je geen Nobelprijs voor Literatuur. Ik ben al blij met een schouderklopje van mijn hoofdredacteur als ik hem toevallig in de fietsenstalling tegenkom. Maar beseft men wel onder welke moeilijke omstandigheden een rubriek als deze tot stand komt?

Elke morgen om zeven uur aan de slag, terwijl je vrouw af en toe in de deuropening verschijnt om te vragen of er vandaag nog gestofzuigd wordt. Een andere keer belt je zoon net op het moment dat je bezig bent met de vervolmaking van een komisch bedoelde bijzin. Hij klinkt stoned en hij staat zwaar rood op de giro, dus hij wilde straks even langskomen.

Begrijpt u het? Eén lintje maar, en ik kan er weer voor jaren tegen.

Hoogachtend,