Overheid moet terugloop VWO/Havo-leerlingen keren

Het aantal kinderen dat na de basisschool doorstroomt naar VWO of Havo is schrikbarend klein. En het huidige achterstandsbeleid schiet schromelijk tekort. Daarom moeten kinderen met voldoende cognitieve gaven met bekwame spoed worden voorbereid op de weg omhoog, vindt Matthé Sjamaar.

We leven op de drempel van een nieuw tijdperk! De kennismaatschappij komt over ons.' Bestuurders van Nederland mogen dit soort zinnen graag uitspreken. Onder hun leiding is het land op weg naar een gouden tijdperk, waarin niet langer landbouw, veeteelt en industrie maar werken met kennis de basis zal zijn van onze al maar groeiende welvaart. Oh ja, er zijn wel wat probleempjes: de vergrijzing en de geringe arbeidsparticipatie bijvoorbeeld. Maar dat lossen we met de groeiende welvaart wel op.

De werkelijkheid is helaas gecompliceerder. Al jaren zijn er bijvoorbeeld duidelijke tekenen dat we voor belangrijke kennisgebieden in Nederland veel te weinig mensen opleiden. Tienduizenden mensen tekort voor de informaticasector. Schrikbarend weinig studenten in de bètavakken. En dit zijn nog maar deelprobleempjes vergeleken bij wat ons binnenkort te wachten staat. Want het is slecht gesteld met kweekvijvers voor het hoger onderwijs. Het gaat fout met de toestroom naar de VWO- en Havo-afdelingen in het voortgezet onderwijs.

In de jaren '50 was het maatschappelijk gezien voldoende wanneer zo'n zes procent van elke jaargang leerlingen een diploma HBS of gymnasium behaalde. Dat percentage steeg sindsdien elk jaar, een stijging die versnelde na de invoering van de Mammoetwet in 1968. Eind jaren '80 slaagde het Nederlandse onderwijs erin bijna veertig procent van elke jaargang leerlingen af te leveren met een VWO- of Havo-diploma op zak. De ellende van het huidige tijdsgewricht is dat het percentage VWO/Havo-leerlingen niet meer toeneemt en zelfs met sprongen zal gaan dalen. De politieke discussie in Nederland slaagt er keer op keer in om dit probleem te omzeilen en in de doofpot te stoppen. Ik maak mij daar ernstig zorgen over.

De hoofdoorzaak van die daling van het percentage VWO/Havo-leerlingen is de groeiende emigratie naar Nederland en West-Europa. Tengevolge van deze al decennia durende volksverhuizing is op dit moment in de vier grote steden van Nederland de schoolgaande jeugd voor meer dan de helft van allochtone afkomst. In 2010 zal in de 45 grootste steden van Nederland de jeugd voor meer dan de helft van allochtone afkomst zijn. Waar van de kinderen van autochtone herkomst en kinderen uit sommige kleinere allochtone minderheden veertig procent VWO of Havo kan volgen, is dat percentage bij het overgrote deel van de allochtone bevolking nog geen vijftien procent.

Over de gehele bevolking gerekend, zakt daardoor het deelnemingspercentage aan VWO/Havo daardoor in de grote steden naar 25 procent tegenover de vroegere veertig procent. De komende vijf jaar staat een derde deel van de VWO/Havo-afdelingen in de grote steden op sterven, gewoon door gebrek aan leerlingen die tegenwoordig in veel grotere getale terechtkomen op Vbo en Mavo. De minder grote steden zullen rap volgen in deze daling.

De overheid is er tot nu toe bekwaam in geslaagd dit gevolg van de moderne volksverhuizing in de doofpot te stoppen. Ook de huidige bewindslieden willen er eigenlijk liever niet horen dat hier een probleem ligt. Je kunt er voor kiezen het probleem te negeren, of te bagatelliseren. Bij de opening van de Nederlandse Onderwijs Tentoonstelling 1999 sprak de sociaal-democratische staatssecretaris Adelmund berustend: ,,Wie voor een dubbeltje geboren is, wordt toch geen kwartje''.

Inderdaad, Nederland kan accepteren, dat uit de groeiende minderheidsgroepen de komende decennia of zelfs langer maar een zeer geringe doorstroom zal plaatsvinden naar de hogere vormen van onderwijs die de dragers van de welvaart van morgen voort moeten brengen. Maar dan moeten we óók accepteren dat het Nederland van overmorgen er waarschijnlijk heel anders uit zal zien dan we nu willen. Er zal dan een overwegend blank gekleurde bovenlaag zijn, die buiten de steden woont, actief deelneemt aan de mondiale kennissamenleving en in welvaart het leven slijt. De steden zijn dan woonplaats voor de overwegend donkerder gekleurde onderlagen, die niet of nauwelijks meedoen aan de kennissamenleving en voor de nu nog gebruikelijke medische en sociale minimumvoorzieningen zal in de steden het geld ontbreken. Zo'n samenleving kan beter kastenmaatschappij dan kennismaatschappij heten.

Het allervervelendst aan dit soort problemen is dat ze meestal verergeren als ze genegeerd worden. En negeren is de natuurlijke reactie van te veel mensen. Helaas. Wie bijvoorbeeld bij het lezen van de vorige alinea's de gedachte voelde opkomen: ,,Wacht nou maar een generatie, dan gaat het vanzelf beter'', moet erop gewezen worden dat we inmiddels te maken hebben met de derde generatie allochtonenkinderen en dat het probleem alleen maar gegroeid is.

Wij zijn het aan onze humanitaire waarden verplicht dit dreigende toekomstbeeld af te wenden. Met bekwame spoed moeten krachten gemobiliseerd worden om eindelijk eens effectief in achterstandswijken de kinderen met voldoende cognitieve gaven de weg omhoog naar VWO/Havo te laten inslaan. Het huidige achterstandsbeleid schiet hierin volkomen tekort. De landelijke overheid moet meer doen dan het bundelen van nota's. En het gaat hier allang niet meer om lokale problematiek die kan worden doorgeschoven naar de gemeentebesturen.

En ja, dat kost geld. Een eerste vereiste is dat Nederland na een kwart eeuw woestijnklimaat voor het onderwijs weer eens een periode van onderwijsvriendelijkheid ingaat. Ja, gevreesd moet worden dat het inderdaad zo ver zal moeten komen, dat Nederland voor onderwijs net zo veel overheeft als de andere rijke landen, waar de OESO jaarlijks over rapporteert. Met zes procent van het nationaal inkomen – in plaats van de moeizame Nederlandse vijf procent – kan in het onderwijs een allemachtige hoop goeds extra voor de toekomst verricht worden. En daar zullen we uiteindelijk allemaal van profiteren.

Matthé Sjamaar is tot 1 mei rector van het Niels Stensen College in Utrecht.