Mijn toekomst als hond

In de jaren vijftig en zestig gold John Berger (1926) als het enfant terrible van de Britse kunstkritiek. In recensies in The New Statesman pleitte hij voor een realistische schilder- en beeldhouwkunst en refereerde hij graag aan het ideeëngoed van Sartre en Marx. Uiteindelijk vond de radicale Berger, die begon als beeldend kunstenaar, het zelf maken en exposeren van schilderijen zo'n absurde bezigheid dat hij besloot het penseel voor de pen te verruilen. Hij debuteerde met A Painter of Our Time (1958), dat veel weerstand opriep wegens de drammerige stijl en dogmatische maatschappijkritiek. Ook The Success and Failure of Picasso, waarin Berger de stelling verdedigde dat Picasso's vruchtbare perioden samenvielen met zijn jaren als hongerkunstenaar, werd gemengd ontvangen. Als romancier brak hij internationaal door met G (1972), een schelmenroman over een libertijnse versierder die bourgeoisdames verleidt om ze hun ware Zelf te helpen ontdekken. De boodschap was duidelijk: geld en macht corrumperen, passie en puurheid maken de weg vrij voor zelfontplooiing.

Ook al is het wereldbeeld van Berger inmiddels wat genuanceerder, hij gelooft nog steeds in de louterende werking van armoede en isolement. Om zelf te ontsnappen aan het hedonisme, vestigde hij zich in een bergdorpje in de Haute-Savoie, far from the madding crowd, vanwaar hij zijn romans over het eerlijke boerenleven de wereld instuurt. Zijn werk verschijnt in vertaling bij de Bezige Bij. Na Ten huwelijk (1995) en Een ander antwoord (1996) is er nu Een man en een vrouw onder een pruimenboom, een bundel met 29 `verbale fotokopieën' van ontmoetingen met boeren, kunstenaars en revolutionairen. Berger bewondert hun eenvoud en authenticiteit en beschrijft als een hagiograaf hun levens. Daarnaast bevat het boek een interessant gesprek met de legendarische fotograaf Cartier-Bresson en een ontroerend verslag van een bezoek aan de werkkamer van Simone Weil.

Berger is niet altijd even toonvast. Soms schrijft hij koket en geborneerd, zoals in `Kamer negentien', waarin hij met een oudere kunstvriend naar een hotel gaat om diens nimmer geëxposeerde doeken te bekijken. De man heeft nooit erkenning gekregen als kunstenaar, maar in hem brandt nog steeds het heilig vuur. `Wij twee waren evenwel, ieder op zijn eigen wijze, ongeneeslijk eigenwijs, of om het directer te formuleren: van ons werk werd niet veel verkocht.' Bergers solidariteit met deze miskende kunstenaar heeft iets onwaarachtigs, omdat hij zelf een gevierd auteur en criticus is die - als hij dat wilde - ervoor zou kunnen zorgen dat zijn onopgemerkte kunstbroeder de aandacht krijgt die hij misschien verdient.

Sympathieker is mij de Berger die tafereeltjes uit de alledaagse werkelijkheid evoceert. Landschappen, steden en mensen weet hij met zo'n liefdevolle en intense blik te beschrijven, dat je ze niet meer vergeet. Ook al is humor niet zijn fort, het bijna laconieke `Reizigster met bestemming Omagh' over een ontmoeting met een zestienjarig Iers meisje in de bus van Dublin naar Derry is bijna even hilarisch als een aflevering uit een soap. Helaas draaft Berger door zodra hij een politiek stichtelijk stukje schrijft. In een fragment over de vastberadenheid van de Mexicaanse Zapatisten zet hij de retoriek zo dik aan dat de revolutionaire kitsch ervan af druipt. De herinnering aan een foto van een Russisch meisje dat in 1993 de Moskouse straten opgaat voor de communisten en tegen Jeltsin én `de Vrije Markt en de Maffia' demonstreert, verraadt ook dat Berger nog met één been in de jaren zestig en zeventig staat.

Bijna tegelijk met de vertaling verscheen A Street Story, die Berger onder de schuilnaam King liet uitgegeven. De roman ziet eruit als een grootletterboek voor slechtzienden. Het is gezet in een royale interlinie en voorzien van veel witregels. De verteller, de schrandere en verbaal begaafde hond King, beschrijft een dag uit het leven van de daklozen en zwervers in een Napolitaanse sloppenwijk die uit bedelen gaan of van de verkoop van radijsjes en gepofte kastanjes leven. Centraal staat het paar Vico en Vica, dat zich over hond King heeft ontfermd. Het stel woont in een bouwsel dat ze liefkozend Pizza Hut noemen. Via de hond komen we te weten dat de oorspronkelijk uit Amsterdam afkomstige Vica vroeger op het conservatorium een zangopleiding volgde en Vico eigenaar van een textielfabriek was. Ze leerden elkaar in Zürich kennen, reisden naar Napels en werden straatarm. De oorzaak voor hun maatschappelijke val blijft vaag. Een faillissement, het bijwonen van een indrukwekkende Maria-processie in Napels of het filosofische werk van een achttiende-eeuwse denker zouden een rol kunnen spelen.

Bergers roman eindigt apocalyptisch. Gewetenloze speculanten en leden van de Camorra, tuk op het braakland waar misschien een Olympisch stadion zal worden gebouwd, geven de politie de opdracht om de sloppenwijk met de grond gelijk te maken. Na een paar gewelddadige schermutselingen leidt King de tot honden getransformeerde zwervers naar de ingang van de onderwereld.

Voor symbolenzoekers is A Street Story een goudmijn. King staat natuurlijk voor de hellehond Cerberus. En de sloppenwijk onder de rook van de Vesuvius, ligt in de buurt van de plek waar Vergilius de ingang van de onderwereld situeerde. Zulke verwijzingen naar het antieke verleden van Napels mogen interessant zijn, de roman moet het vooral hebben van de tegenstelling `verdorven kapitalisme versus de puurheid van de armen'. De leden van het lompenproletariaat belichamen in deze roman het humanisme en de zuiverheid waar de boeren en de kunstenaars in Photocopies voor staan. Maar deze berooide heiligen moeten het onderspit delven wanneer de vrije markt, de maffia en de corrupte politici hun tanden laten zien. Hoe boeiend is dat gegeven?

Berger doet er alles aan om het soortelijk gewicht van A Street Story te verhogen. Zo haalt hij de `filosoof' Giambattista van stal. Deze achttiende eeuwse denker zou de geschiedenis van de mensheid in vier tijdperken hebben verdeeld: dat van God (alles is nieuw), van de Helden (de antieken ontdekken `het tragische'), van de Mens (de politiek en het offer doen hun intrede) en de Hond (barbarij en ondergang). Volgens de auteur bevinden we ons natuurlijk in de apocalyptische slotfase waarna alles zich volgens het principe van de Eeuwige Wederkeer zal herhalen. Het is de hond King, alias Cerberus, die de straatarme erflaters van de Europese beschaving de weg wijst naar een spirituele wedergeboorte.

Bergers pessimistisch vertoog over het failliet van de westerse beschaving leest als de zwanenzang van een ontgoochelde marxist. Dat klinkt zwaarmoedig en geeft meteen aan waarom A Street Story uiteindelijk teleurstelt. Het boek is zo somber, zo duister en zo gewild symbolisch. Berger zou zijn ideologische veren eens moeten afschudden. Misschien schenkt hij ons dan nog één roman, die even ontroerend is als het beste proza uit Een vrouw en een man bij een pruimenboom.

John Berger: Een vrouw en een man bij een pruimenboom. Ontmoetingen. Vert. Sjaak Commandeur. De Bezige Bij, 141 blz. ƒ34,50

King (pseudoniem van John Berger): A Street Story. Bloomsbury, 231 blz. ƒ62,50 (geb.)