Hun logica en de onze

Vijf jaar na dato twee verbijsterende boeken over de genocide in Rwanda. Philip Gourevitch, een politiek dier, fluistert de lezer toe: waarom deed u niets? De herinneringen van verpleegster Yolande Mukagasana, een aards wezen, vragen ons hetzelfde. De Nederlands/Oegandese schrijver Moses Isegawa over een land dat kristallen bol én logica tart.

Genocide heeft zoals iedere misdaad, hoe gruwelijk ook, de neiging na verloop van tijd oudbakken, schimmelig, onbeduidend te worden. Als het bloed gedroogd is, de geweren zwijgen, de kapmessen zijn weggegooid, de doden begraven of eenzaam weggerot, en de weduwen en wezen in slaap gesust, dan is men geneigd de blik af te wenden in afwachting van de volgende genocide, de volgende massa-gruwel die alom de levenssappen doet vloeien.

In de tussentijd floreren de vergelijkingen: het was niet zo erg, kon niet zo erg zijn, zegt men. De joodse Holocaust, dé lakmoesproef voor alle genocide, wordt opgegraven en de lijken worden geteld. De Neurenberger-processen worden opgerakeld, de processen van overlevenden tegen Duitse, Oostenrijkse en Zwitserse banken geëtaleerd. Altijd is er die neiging tot rationaliseren, om schoon water over de handen te laten stromen waarin alle eigen schuld wegspoelt. Het ging mij toch niet aan? Wij hadden toch niets kunnen doen? God behoede de overlevenden en zij de doden genadig. Amen.

Wanneer 's werelds deugnieten, zoals Saddam Hussein en Miloševic, moeilijkheden maken is dat ook al niet bevorderlijk. Iedereen kijkt naar hen. En in zo'n klimaat raakt de Rwandese genocide vergeten in een graf zonder steen. Het is als met de verdoemde zielen die schreeuwen in de spelonken van de hel, zo ver weg dat slechts weinig belastingbetalers het geween en het knarsen der tanden kunnen horen en walgend hun avondmaal uitbraken.

Philip Gourevitch heeft dat beseft en besloten zijn boek We wish to inform you that tomorrow we will be killed with our families vijf jaar ná de genocide te schrijven. Hij laat een frisse wind over deze monsterlijke moordpartij waaien, hij onderzoekt de stormachtige gebeurtenissen die eraan voorafgingen, hij laat zien wat er thans gebeurt in een land dat moeizaam bezig is overeind te krabbelen, zijn eigen tranen af te vegen en de draad van het leven weer op te pakken. Philip Gourevitch mijdt het fanatisme van de zedenpreker, geeft geen lessen of waarschuwingen. Hij heeft integendeel besloten te fluisteren, te suggereren, de feiten nuchter op een rij te zetten en de lezer de ruimte te geven voor eigen gedachten en conclusies.

Heeft deze misdaad de belastingbetaler hier iets te zeggen? Had er meer kunnen worden gedaan? Waarom is dat niet gebeurd? Waarom heeft iedereen de wijk genomen en de Rwandezen aan hun lot overgelaten? Waarom erkende de regering-Clinton zo schoorvoetend dat er genocide had plaatsgevonden? Wat moet er met de moordenaars gebeuren?

Al lezend krijgt men het gevoel in bijbelse tijden te leven, waar wonder en wreedheid hand in hand gingen en van hogerhand werden gesanctioneerd, waar mensen slechts werktuigen waren en nauwelijks rekenschap waren verschuldigd buiten het fiat van een hogere macht die bereid was alle schuld op zich te nemen in zijn streven een bepaald visioen te verwezenlijken, een bepaald doel, en een bepaalde orde te vestigen.

In zo'n golf van bijbelse ijver werden in 100 dagen 800.000 Tutsi's afgeslacht, wat, voor het effect, overeenkomt met 333 1/3 moord per uur. Ze werden doodgehakt of -geschoten, voor dood achtergelaten langs de weg, in kerken, in latrines, in struikgewas en overal waar dode mensen maar liggen konden.

Wat aan deze genocide zo opmerkelijk is, is dat ze plaatsvond onder openlijke auspiciën van de regering. Het was als de voorspelling van een orkaan: iedereen wist dat het zou gebeuren, iedereen keek toe hoe de hemel betrok, de wind opstak, de verwoesting begon. Dit keer beweerde niemand van niets te hebben geweten. De opkomst van het Hutu-extremisme was als een kwalijke damp uit de anus van een duivelse machine. De politieke poppenspelers meenden dat ze een kuil voor anderen groeven, en inderdaad zijn daar vele lijken in gevallen, maar op den duur liep het experiment uit de hand.

Gourevitch maakt duidelijk dat extremisme slechts tot meer extremisme leidt tot ten slotte iedereen erbij verliest. Generaal Habyarimana verloor uiteindelijk het leven en ontketende de genocide. Het staat vast dat hij is vermoord door leden van een extremistische Hutu `Power-groep' onder leiding van niemand anders dan zijn beminde echtgenote. De wind die hij gezaaid had schoot op als een storm, en de bloedige oogst bracht niemand geluk.

De genocide viel samen met de aanvallen van Tutsi-rebellen die in Oeganda waren opgegroeid. Niet lang na de genocide kwam de Hutu-regering ten val. Ze was al door en door verrot en er viel weinig meer te begraven. Het bijbelse element deed zich opnieuw gelden toen de Hutu's, die zojuist hun vijanden hadden afgeslacht, zelf moesten vluchten. Een miljoen dode Tutsi's, bijna, en een miljoen Hutu's die nu hun heil zochten in het grensgebied met Zaïre. Hun verdiende loon, zou men zeggen. Maar nee: er was te veel gebeurd om nog iemand tevreden te laten zijn over de gang van zaken. Het onvoorstelbare leed dat de vluchtelingen leden, de langzame dood door cholera, de onderlinge strijd, het terrorisme uitgeoefend door de daadwerkelijke moordenaars die de overigen als menselijk schild gebruikten, de incidentele wraakoefeningen door de rebellen: het wordt allemaal ten toon gespreid, opgetuigd en van een decor voorzien. En de lezer mag zelf zijn conclusies trekken. Wat zou u hebben gedaan als u een rebel was? Wat had u gedaan als u de vluchtende Hutu-extremist was of de onschuldige burger? Wat had u gedaan als u een mensenrechten-activist was geweest, met een gemoed dat overstroomde van neutraliteit en afkeer van misdaden?

Peetvader

De Rwandezen waren ook niet de enigen die faalden, zo blijkt. In treffende lijnen wordt de wil van de internationale gemeenschap geschilderd als een hol vat. Iedereen lijkt aan eigen zwakte te zijn bezweken. Frankrijk, peetvader en toeverlaat van het moorddadige regime, steunde zijn ongezeglijke pupillen tot het bittere eind. De Fransen waren zo diep in dit conflict verwikkeld – het bewapende de maniakken, trainde hen, stond hen steeds ter zijde en voerde achteraf een onbeholpen campagne om de eigen naam te zuiveren – dat men aan de geestelijke gezondheid van de betrokkenen gaat twijfelen. Dat de zoon van president Mitterrand wapenhandelaar was, deed de zaak geen goed, met al die miljoenen dollars voor het opscheppen. Uncle Sam bracht het er al niet beter af. Madame Albright, met haar fameuze krokodillenlach, was degene die steeds aandrong op evacuatie van alle VN-troepen, zelfs toen een dappere kolonel nog wilde ingrijpen om enkele mensenlevens te redden. Kofi Annan komt al evenmin als een heilige naar voren. Informatie werd onder de pet gehouden, de vaste wil om buiten het conflict te blijven was wet.

Ingrijpen van Afrikaanse landen werd door sabotage van Uncle Sam verhinderd. De kolder stijgt ten top wanneer de regering-Clinton weigert te erkennen dat wat er in Rwanda gebeurt genocide is: dan had ze moeten optreden. Met andere woorden, men liet Rwanda in zijn eigen bloed en stront verdrinken. De enigen die iets wilden doen waren de rebellen, en de nieuwe regering toonde de wereld zonder blikken of blozen de toestand in haar overvolle gevangenissen. Het geld waarom ze vroeg, om functionarissen op te leiden zodat de schuldigen konden worden berecht, kwam niet. Lippendienst aan rechtvaardigheid, menselijkheid, morele waarden was al wat de klok sloeg.

In gesprekken tussen Philip Gourevitch en de nieuwe president, Kagame, blijkt dat Rwanda zijn tranen moest afvegen en zijn problemen zelf moest oplossen. Het land biedt geen plaats voor theoretisch discours – alle morele principes zijn er onderuit gehaald. Het lijkt draaiende te worden gehouden door de kracht van het Afrikaanse stoïcisme, door omstandigheden gedwongen nooit lang bij iets te blijven stilstaan, want dat maakt de situatie alleen maar erger.

Philip Gourevitch heeft in zijn analyse van de oorzaken en gesprekken met ooggetuigen subliem werk geleverd. Zelf op de achtergrond blijvend, laat hij de mensen en feiten voor zichzelf spreken, en gelooft u me, er zijn ijzingwekkende feiten bij.

Het resultaat is een zorgvuldig geschreven document dat zich richt tot alle mensen en door hen moet worden gelezen, geanalyseerd en gekoesterd.

Is Philip in de eerste plaats een politiek dier, Yolande Mukagasana is een echt aards wezen die de gebeurtenissen, de aanloop en de nasleep een menselijk gezicht geeft in De dood wil mij niet. Zo brengt ze het getraumatiseerde land nader tot ons, laat ze ons meevoelen met de overlevenden en begaan zijn met de doden, en brengt ze ons begrip bij voor deze menselijke tragedie. Ze vertelt het verhaal van mensen die nog niet zo lang geleden gezinnen hadden en nu grafstenen of helemaal niets meer hebben, mensen die werden meegesleurd door de orkaan, door omstandigheden niet de wijk konden nemen en alles kwijtraakten, mensen die belast zijn met de zware taak opnieuw te beginnen en te leven voor de doden.

Opmerkelijk daarbij is het ontbreken van bitterheid. Yolande is kalm, ze heeft haar gevoelens laten betijen, heeft ze verwerkt en wil geen energie verspillen aan onnodige emotie. Ze bewaart haar energie voor wat nú van belang is, de toekomst, de berechting van de schuldigen, het wederopbouwen van een natie. Ze geeft een afgewogen beeld van de situatie, van de verstrengeling van het leven van Hutu's en Tutsi's, van mensen die dezelfde taal spraken maar zich lieten opzwepen tot een onbeschrijflijke waanzin, hun buren vermoordden, artsen die patiënten vermoordden, gestudeerden die met machetes zwaaiden, priesters die zich lieten meeslepen en zelf moordden of weinig deden om anderen te redden, een samenleving die op slag desintegreerde alsof de wereld ophield te bestaan en iedereen zich wilde laten meesleuren in de zondvloed.

In de steek gelaten

Yolande Mukagasana was verpleegster, behandelde Tutsi's zowel als Hutu's, werd door sommigen gehaat om haar kliniek, en gewaardeerd door wie ze gratis hulp verleende. Ze geeft de lezer een gedegen overzicht van de geografische, politieke, psychologische en religieuze landkaart van Rwanda. Ze verwoordt de gevoelens van hen die zich in de steek gelaten voelden door de Verenigde Naties, het Westen, door al diegenen die iets hadden kunnen doen.

Het persoonlijke element in het boek – zoals het verhaal dat haar man haar op haar werk belde om naar huis te komen, dat ze bij thuiskomst een tafel gedekt voor twee aantrof, waaraan ze zich te goed deden om vervolgens naar bed te gaan en te vrijen – verrijkt het beeld. De wetenschap dat die man is omgebracht, samen met hun drie kinderen, en Yolande's broer en zijn vrouw, en nog veel meer bekenden, laat een afschuwelijk gevoel achter. De kinderen die we door het hele boek heen ontmoeten zijn net als andere kinderen in de wereld. Maar de manier waarop ze zijn gestorven, twee van hen doodgehakt, een meisje doodgedrukt in een massagraf nadat ze haar moordenaars niet had willen vertellen waar haar moeder was, maakt ze tot martelaren.

Yolande's eigen beproevingen – de boodschap van de dood van haar kinderen, haar pogingen om te vluchten en de gevaren die ze daarbij moest doorstaan, de hel van een veilige aankomst, uiteindelijk, in België en het verwerken van de nasleep – dat alles wijst op een grote innerlijke kracht, een kracht geboren uit tegenslag. Haar ervaringen zou men zijn eigen vijanden niet toewensen, maar haar vaste voornemen zich niet te laten knakken, haar dromen van een nieuw leven, zijn indrukwekkend. Haar optimisme lijkt misplaatst, maar Rwanda is nu eenmaal een oord dat zowel de kristallen bol als de wetten van de logica tart. Het heeft zijn eigen wetten, en alleen ingewijden kunnen doordringen in het diepste van de Rwandese ziel. Yolande wil verliefd worden, ze wil een prachtg kind baren en het goed opvoeden – ze wil leven. En wie zou haar geen lang, lang leven toewensen?

Vertaling René Kurpershoek

Philip Gourevitch: We wish to inform you that tomorrow we will be killed with our families. Picador, 384 blz. ƒ39,95

Yolande Mukagasana (i.s.m. Patrick May): De dood wil mij niet. Uit het Frans vertaald door Parma van Loon. Element, 223 blz. ƒ32,50

Correctie

Het stuk 'Hun logica en de onze' van Moses Isegawa (Boeken 30.4.1999) was uit het Engels vertaald door Rene Kurpershoek.

Redactie