Hij heeft geschiedenis gemaakt

Misschien overkomt het een mens maar één keer in zijn leven. Dan is het voor wie van zijn taal houdt `te mooi om waar te zijn': de geboorte van een uitdrukking, en niet alleen dit. De nieuwe uitdrukking blijkt in haar levenskracht zo aanstekelijk dat ze van de ene dag op de andere in het spraakgebruik wordt opgenomen. Iedereen die de nieuwe woordcombinatie hoort, weet meteen wat ermee wordt bedoeld. Deze aanwinst is het onder de pet houden, gelanceerd voor de Parlementaire Enquetecommissie door de heer H. Wolleswinkel, op 5 februari 1999. Het klonk zo gewoon, zo natuurlijk dat je niet eens besefte, bij een geboorte aanwezig te zijn. In die eerste ogenblikken van haar bestaan was de uitdrukking al volwassen. De bevestiging, het imprimatur, werd de volgende dag gegeven door minister-president Wim Kok. Op zijn persconferentie gebruikte hij de uitdrukking alsof hij dat al jaren deed.

De pet is bij ons een hoofddeksel met grote symbolische waarde. Jan met de pet is uitgestorven, was vroeger iemand van `eenvoudige komaf' wie het niet was gelukt daaraan te ontsnappen, of zelfs was hij nog eenvoudiger geworden. Als je zegt: die vrouw gaat weinig boven de pet, bedoel je dat ze bijna alles begrijpt en veel in haar pet heeft. Het zou kunnen zijn dat ze er desondanks met de pet naar gooit. Of dat ze soms haar kennis en inzichten dusdanig door elkaar haalt dat je denkt: gooi het maar in mijn pet en zoek het maar uit. Is daartoe geen aanleiding, en heeft ze bovendien twee petten op, dan: petje af! Daar wil je wel met de pet voor rondgaan. Voeg je de daad bij het woord en de opbrengst valt tegen, dan zeg je: 't is pet! Of: huilen met de pet op.

De Grote Van Dale geeft in zijn lemma `pet' 23 overdrachtelijke betekenissen. Onder zijn pet kruipen betekent verdrinken; in de pet kruipen is een dutje doen. Ik kan het me wel voorstellen maar ik had er nooit van gehoord. Ik heb met mijn bril op gelezen, daarna nog eens met een vergrootglas, een paar keer geturfd. Onder de pet staat er niet bij. Hoe is het mogelijk.

Op het gebied van de pet - de muts met harde klep - ontbreekt het me aan elementaire kennis. Daarom heb ik er een paar boeken op nageslagen. In de schilderkunst tussen Dürer en Delacroix geen pet gevonden. In een boek over de geschiedenis van de fotografie zag ik een reeks portretten van arbeiders, gemaakt tussen 1862 en 1867. Ze dragen mutsen of hoeden of ze zijn blootshoofds. Een foto uit 1886 van de markt in Karlsruhe. De mannen van het volk hebben gleufhoeden, strohoeden, bolhoeden of hoge hoeden op. De eerste pet verschijnt in 1900 op het hoofd van een bedelaar die in de rij staat voor brood op de Bowery in New York. Daarna zijn de petten talrijk. Marinus van der Lubbe, radencommunist, droeg een pet. De mooiste, d.w.z. de volstrekte pet is die van Lenin. De pet is misschien niet als hoofddeksel voor de proletarische revolutie bedoeld, maar dit wel geworden. Pas later zijn de hogere klassen gekomen. Golfspelers en zeezeilers gingen petten dragen. In de jaren twintig, schat ik.

Als we het woord onder horen, zijn we er al op voorbereid dat er iets geheim moet worden gehouden. De zaak werd onder vier ogen besproken, ze hielden het onder de roos en de spullen werden onder de toonbank geleverd. Ze hadden afgesproken, het allemaal onder de tafel te houden, en als dat niet zou lukken, het meteen weer onder het kleed te vegen. Onder ons gezegd en gezwegen vond ik dat een bedenkelijk onderonsje. Het lemma onder beslaat in de Van Dale bijna een pagina; een combinatie met pet ontbreekt.

Wat is er in het hoofd van de heer Wolleswinkel omgegaan, die paar seconden waarin hij nadacht over het antwoord op de vraag en toen plotseling de taal verrijkte? Zo op de televisie te zien heeft hij niets proletarisch; is hij meer iemand die tegen een golfbal slaat. Heeft hij aan een uitdrukking met onder gedacht, maar niet zo vlug het bijbehorende woord kunnen vinden? Razendsnel raadpleegden zijn hersens hun eigen inventaris; vonden bij de P het woord pet. De commissie wachtte op antwoord. Onder de pet, zei de ondervraagde. Had de voorzitter niet zo onverbiddelijk zitten kijken, was het brein van de heer Wolleswinkel een fractie van een ogenblik meer tijd gegund, dan was het bij de R gekomen. Dan had hij gezegd: `Dat heb ik toen onder de roos gehouden' - en onze taal was onverrijkt gebleven.

Is het zo gegaan? Je zou dit fragment nog wel eens willen zien, vertraagd. Als ik het bij het rechte eind heb, is dit een historisch ogenblik.