Geleerde afzondering

Iedereen kent het ouderwetse beeld van een vader die zich thuis terugtrekt in het domein van zijn studeerkamer waar de overige gezinsleden hem niet durven storen. Dat eerbiedwaardige, maar weinig toegankelijke vadertype moet zo'n vijf eeuwen geleden geboren zijn toen in de Renaissance paleizen en woonhuizen voor het eerst met een studeerkamer voor de heer des huizes werden ingericht. Zo'n ruimte werd in Italië aangeduid als studio of studiolo. In Frankrijk heette het een cabinet.

Het Renaissance-studeervertrek gaat terug op de middeleeuwse kloostercel. De wereldse variant, de studio, was eveneens klein en bood in principe plaats aan één persoon, maar was veel rijker gedecoreerd: lambrizeringen met ingelegd houtwerk, majolica-tegels op de vloer en beschilderde plafonds. Bovendien ontwikkelde zich een hele kunstnijverheid voor de vervaardiging van kantoorbenodigdheden zoals lessenaars, boekenmolens, pennendozen, inktpotten, paperweights, olielampen, scharen en zandstrooiers (voor het drogen van de inkt). Op de planken en in kasten werden naast gedrukte boeken en manuscripten ook familiepapieren en zakelijke transacties bewaard.

In de loop van de zestiende eeuw werden er bovendien steeds meer verzamelobjecten zoals kleine antieke voorwerpen, medailles, prenten en bronzen beeldjes in de studio gehuisvest. Zodoende vloeide de functie van studeervertrek en van Kunst- und Wunderkammer uiteindelijk in elkaar over.

De rijke aankleding van zo'n privékamertje geeft aan hoeveel de eigenaren van deze ruimte moeten hebben gehouden. Voor de meeste van hen was literaire studie vrijetijdsbesteding en geen professie, zoals voor kerkelijke en universitaire geleerden. Het enthousiasme van deze edellieden en rijke burgers zal gevoed zijn door het besef dat hun studeerkamergenoegens wortels hadden in de antieke beschaving. De herleving van de klassieke cultuur heeft niet alleen tot studie als otium voor de geest geïnspireerd, maar ook het heil van lichamelijke zorg en ontspanning verbreid. Aardig is te weten dat in de plattegrond van sommige Renaissance-woonhuizen het gecombineerde ideaal van lichamelijke en mentale ontspanning gestalte heeft gekregen: achter de slaapkamer werden een studio en stufa (badkamer) naast elkaar gesitueerd. Praktisch daarbij was dat de warmte van het badwater als neveneffect het studeervertrek verwarmde.

De studio is een prachtig onderwerp, waaraan alle grote thema's van de Renaissance raken: de herleving van de klassieke cultuur, het humanisme en het individualisme. Verder heeft de inrichting van dit kamertje allerlei nieuwe kunstproducten opgeleverd. De bestudering wordt echter bemoeilijkt doordat de meeste studioli uit de Renaissance verloren zijn gegaan. Er bestaan alleen nog een paar vorstelijke exemplaren, zoals die in het paleis in Urbino en die van Francesco de'Medici in het Palazzo Vecchio in Florence. Over die vorstelijke studeervertrekken is al het nodige geschreven. Veel minder bekend zijn de studioli in de woonhuizen van de rijkere burgerij die verloren zijn gegaan.

Juist over deze laatste categorie heeft Dora Thornton, conservator van de Renaissance-afdeling van het British Museum, een boek geschreven: The Scholar in His Study. Zij is de dochter van Peter Thornton die een standaardwerk schreef over interieurkunst in de Renaissance. Daarin wijdde hij in een hoofdstuk over the more private rooms al enkele pagina's aan de studio.

In de algemene schets van de ontwikkeling van de studio van studeervertrek naar verzamelkabinet volgt Dora Thornton haar vader. Haar eigen bijdrage aan het onderwerp heeft vooral bestaan uit het vergaren van een grote hoeveelheid bronnenmateriaal, zoals inventarissen, testamenten, veilingen, brieven en tractaten, waaruit de inrichting en beleving van de Renaissance-studiolo met meer precisie kan worden gereconstrueerd. Verder is in haar boek een groot aantal deels nooit eerder gepubliceerde afbeeldingen opgenomen, die prachtig zijn afgedrukt. Niet alleen van interieurdecoratie en gebruiksvoorwerpen, van ontwerptekeningen en boekbindingen, maar ook van portretten van heren in hun studio.

Het beeldmateriaal is dan ook het meest aantrekkelijke van het boek. Het ontsluiten van het bronnenmateriaal is ook belangwekkend, maar vaak is het nogal vermoeiend dat de tekst onophoudelijk overspringt van het ene naar het volgende tekstfragment. Die gerichtheid op de bronnen blijkt ook uit de uitvoerige archivalische uiteenzetting van het bestudeerde materiaal in het eerste hoofdstuk. Zo'n schoolse introductie op de Florentijnse en Venetiaanse archieven hoort niet thuis in een boek voor een breder publiek.

Dora Thornton ambieerde meer te bieden dan een puur bron- en objectgerichte studie. Ze wil haar bevindingen in een sociale context plaatsen. Jammergenoeg komt die poging niet veel verder dan er steeds aan te herinneren dat het bezit van een studio een statussymbool van de stedelijke bovenlaag was. Hinderlijk is dat daarbij telkens weer de term elite in de mond wordt genomen, zonder dat daarmee nu veel van die sociale context wordt uitgewerkt.

Zo'n studeervertrek bezorgde zeker prestige aan de eigenaar. Maar zo'n bewering is niet zo interessant. Veelzeggender dan de social claims die de studio ten opzichte van de buitenwereld kon maken, is de psychologische betekenis van het studeervertrek voor de binnenwereld van de eigenaars. Die was in wezen a-sociaal. De studio bood de Renaissance-man de mogelijkheid tot afzondering binnen zijn woonhuis en de grootst mogelijke afstand tot het publieke leven, het domein waarin hij normaal behoort te opereren. In de studio kon hij zich tijdelijk bevrijden van de verlokkingen en narigheden van dat publieke leven. Het was een plek om de geest te sterken in onafhankelijkheid. Dat is in ieder geval de boodschap van een – ook door Thornton aangehaalde – passage in een essay over de eenzaamheid van Michel de Montaigne. Een passage die ook uitlegt waarom de studio nu zo'n mannendomein was.

Ook al zijn een vrouw, kinderen, bezit en een goede gezondheid nastrevenswaardig – zegt Montaigne – nooit moet men daar zo verknocht aan raken dat het geluk ervan afhangt. `We [mannen dus] zouden een kamer moeten reserveren, alleen voor onszelf, [...] waar we onze volledige vrijheid gestalte zouden moeten geven, zo afgezonderd dat geen verkeer met de buitenwereld daar plaats zou mogen hebben. Daar zouden we moeten spreken en lachen alsof we geen vrouw of kinderen, bezit, leerlingen of personeel hebben, zodat als we die alle zouden verliezen, het geen nieuwe ervaring zal zijn om het zonder hen te stellen. We zouden een ziel moeten hebben die in staat is tot zichzelf te keren, die zichzelf gezelschap kan houden'.

Hier is de studio toch echt geen maatschappelijk pronkstuk. Voor Montaigne is het een plek van afzondering van de buitenwereld. Een oefenruimte voor de bevrijding van de geest. Eigenlijk simpelweg een ruimte om gelukkig te kunnen zijn. Met minder stoische ongenaakbaarheid is deze gedachte heel ontroerend door Machiavelli verwoord.

In een brief aan een vriend vertelt hij hoe hij 's avonds bij thuiskomst zijn `modderige, zweterige werkdagkleren' uitdoet (het was in de tijd dat hij verbannen was en zijn landgoed buiten Florence bestierde) en zich vervolgens in waardiger kledij hult om zijn studio te betreden, `het hof der antieken' zoals hij het noemt. Hier gaat hij met de door hem bewonderde klassieke auteurs fictieve gesprekken aan en, schrijft hij, `voor de duur van vier uren vergeet ik de wereld, herinner me geen verdriet, ben niet meer bang voor armoede, en beef niet meer voor de dood: ik ga over naar hun wereld'.

Dora Thornton: The Scholar in His Study: Ownership and Experience in Renaissance Italy. Yale University Press, 214 blz. ƒ134,40