Een kraaltje! Een parel! Nee, het is superbacterie!

Ze zijn overal. Hoog in de lucht, diep in de grond. In het bos, op straat, in huis, op het aanrecht, onder de bank, tussen de lakens, op je vingers, in je neus, tussen je tanden, in je darmen. Ze zijn overal, maar je ziet ze niet. Daarvoor zijn ze te klein. Bacteriën heten ze. Ze zijn piep- en piepklein. Eén enkele bacterie is onzichtbaar voor het blote oog. Pas als ze met een heleboel op een kluitje zitten, kun je ze zien. Dan zijn ze misschien zo groot als een boterhamkorreltje of een speldenknop.

Daarom schrok Heide Schulz vreselijk toen ze ineens een reuzebacterie ontdekte. Ze wist niet wat ze zag, ze kon de bacterie met haar blote oog zien. Het was ongelooflijk...

Heide ontdekte de gigantische bacterie in april 1997. Ze was op expeditie met een groep Duitse en Spaanse collega's. Met een schip voeren ze naar Namibië, in het zuiden van Afrika. Bij het kustplaatsje Walvisbaai ging de boot voor anker. Daar begonnen Heide en haar collega's hun onderzoek. Met een graafmachine woelden ze in de zeebodem, op honderd meter diepte. De machine haalde zand naar boven. In dat zand ontdekte Heide glinsterende, witte kraaltjes. Heide bekeek die kraaltjes goed, en ontdekte tot haar stomme verbazing dat het bacteriën waren. Een enkele kraal was bijna een millimeter in doorsnee. Heide wist dat ze iets bijzonders had ontdekt. Een gigantische bacterie. Bijna een millimeter groot. Honderd keer groter dan de grootste tot dan toe bekende bacterie. Nog nooit had iemand zo'n enorme bacterie gezien. Een superbacterie, een megabacterie.

De bacterie licht wit op vanwege de kleine bolletjes die hij heeft opgeslagen. Heide ontdekte dat het bolletjes van zwavel zijn. De bacterie heeft zwavel nodig om te overleven. Daar haalt hij energie uit. De zwavelbolletjes geven de bacterie een parelachtige glans. Daarom heeft Heide haar megabacterie een speciale naam gegeven. Hij heet `de zwavelparel van Namibië'.

Heide ontdekte nog meer dingen. Haar superbacterie vormt een soort kralensnoeren. Gemiddeld zitten de bacteriën met hun twaalven op een rijtje. Ze zijn omgeven door een laagje slijm. Ze liggen bewegingsloos op de bodem van de zee, begraven onder een laagje zand.

De superbacterie slaat niet alleen zwavel op. Hij propt zich ook nog vol met een andere stof: nitraat. Ook dat heeft hij nodig om te overleven. Als een bacterie zich helemaal heeft volgepropt met nitraat en zwavel, hoeft hij vijftig dagen niks meer te eten. Zolang kan hij met de aangelegde voorraad vooruit. Na vijftig dagen moet hij weer een nieuwe portie zwavel en nitraat naar binnen werken. Anders verhongert hij en gaat hij dood.