Dorre liefde in een Japanse stad

Volgend jaar vieren Japan en Nederland dat de twee landen al vier eeuwen geleden met elkaar kennis maakten. De literaire oogst van die lang uitgesponnen ontmoeting is schamel, zeker aan de Nederlandse kant. Vooral het genre van de expat-roman (romanpersonage ontdekt tijdens langdurig buitenlands verblijf inzichten in culturele barrières en zijn eigen beperkingen) wil hier maar niet van de grond komen. Vierhonderd jaar lang wonen er Nederlanders in Japan en alles wat wij daarvan kunnen laten zien is één novelle en twee romans.

Als er ooit nog een genrekarakteristiek van de expat-roman geschreven wordt, zal daarin zeker ruim aandacht worden besteed aan `de romantische intrige'. Zonder intieme maar tot mislukken gedoemde relatie met een inwoner uit het verre land is er geen cultureel (on)begrip mogelijk, luidt die basisregel van het genre. In dat opzicht is de eerste Nederlandse roman over het onderwerp een schoolvoorbeeld. Weet je nog, Yoshi? (1966) van Johan Fabricius is een aardig, makkelijk te lezen verhaal over de onmogelijke liefde van een Nederlander voor een Japanse, waarvan me niet veel meer bijstaat dan dat het na lange lieve ontmoetingen uiteindelijk toch niks wordt tussen die twee.

In 1982 publiceerde Cees Nooteboom Mokusei!, een novelle over de obsessieve en alweer onmogelijke liefde van een Nederlandse fotograaf voor zijn Japanse model met als ondertitel `een liefdesverhaal'. Dat verhaal, naar een echte, ingrijpende relatie van een Nederlandse kunstenaar, draait om projectie. Juist de taalbarrière en het cultuurverschil bieden alle ruimte voor enorme verliefdheid, die zo verblindend is dat de fotograaf te laat beseft dat de vrouw hem ontglipt.

Nu ligt er dan In Kyoto, de debuutroman van Jan Vos (Genk, 1960), die jaren in de stad uit de titel woonde. Ook hij beschrijft, zoals het op de flaptekst heet, een amour fou. Dit keer geen Nederlander als hoofdpersoon, maar de zoon van een Engelse kerkorganist en een Japanse moeder die haar culturele wortels definitief vaarwel zei. Deze Ichiro komt uit een slaperig Engels provinciestadje en trekt voor een jaar naar Kyoto om daar zijn Japanse achtergrond uit te spitten. In Kyoto ontmoet hij een Japanse waarop hij verliefd wordt. Zij valt alleen niet op hem en na lange dia- en monologen scheiden zich hun wegen.

De drijfveer van deze romanfiguur is zijn afkeer tegen de middelmatigheid van zijn oude omgeving. Het boek is gevuld met eindeloze variaties op dit nogal sleetse thema. Erger is dat de hoofdpersoon van diezelfde middelmatigheid doortrokken is. Dat blijkt overduidelijk uit uitgesponnen citaten uit de roman die Ichiro zelf weer schrijft en die ons, als een Droste-plaatje, in de roman van Vos ter monotone afwisseling worden voorgeschoteld. De dromen over een leven als rockster lijken een parodie, maar ik vrees dat het allemaal heel serieus is.

Het boek doet denken aan die briljante cartoon van Gummbah over `de man met een ondraaglijk hoog IQ'. Op de achtergrond zie je twee mensen tegen elkaar zeggen: `Nog wat koffie?' `Ja graag', waarop de superieure man kreunt: `Mijn God, wat zijn ze dom!' Zo'n houding is natuurlijk prima, zolang die saaie arrogantie maar boeiend beschreven wordt. Maar dat is in In Kyoto niet het geval. De amour fou blijft van papier, de dialogen zijn onnatuurlijk, wat niet hetzelfde is als literair, en geen enkele angst of onvrede wordt geloofwaardig. Kyoto komt nauwelijks aan bod. Ichiro schijnt uren in de tempeltuinen van die stad door te brengen, maar nergens ervaren we de tuinen; we horen alleen Ichiro's geneuzel. Het boek gaat niet over buitenlanders in Japan, niet over Kyoto en niet over liefde voor een ander; het draait om eigenliefde.

Jos Vos: In Kyoto. De Arbeiderspers, 208 blz. ƒ34,90