De verbijsterende geur van oorlog

De Russische fotograaf Oleg Klimov was afgelopen maand in Servië en Kosovo. Hij was er niet de enige Rus. In gesprek met twee Russische `soldiers of fortune': over Albanezen en de geur van vrouwen en oorlog.

De Serviërs zijn Slavischer en tegelijkertijd Europeser dan de Russen. Al in Tito's tijd hebben de Serviërs zich de ijzervreterige Sovjet-leuze `Wil je een Europeaan zijn, dan moet je beter ruiken' standvastig eigen gemaakt.

Toen maakte niemand zich nog zorgen dat de Franse parfums, zo begeerd door de bewoners van Belgrado, van de schappen zouden verdwijnen. Toen dacht niemand dat de Serviërs zo strijdlustig het `recht op eigen territorium voor de Serviërs' zouden gaan verdedigen. Toen geloofde niemand dat de reuk van beschaving tegelijkertijd de geur van de oorlog kon betekenen.

Maar de geur van oorlog, vergeten door Europa en onbekend voor Amerika, is teruggekeerd naar Joegoslavië: verlaten steden en brandende dorpen, gekapseisde bussen, vernielde kerken, kraaien en doorgedraaide honden die zich voeden met dood vee. Iedereen die de kans krijgt om uit Prizren in Kosovo weg te komen, is overtuigd van de noodlottigheid van de dood. De voorbijganger probeert daarom elk contact te mijden, omdat hij niet zeker weet wat voor geweer de ander draagt en aan wiens kant hij staat. In Kosovo bestaat geen frontlinie, de grens met Albanië niet meegeteld.

En Rusland? Rusland is economisch afhankelijk van het Westen en kan dus weinig doen. In het leeggeroofde Rusland willen velen naar Kosovo. Jarenlang was Rusland de smid van oorlogen en legers overal ter wereld. Nu is de smid `onnodig'. De oorlog in Joegoslavië heeft er echter voor gezorgd dat patriottische bewegingen en partijen ineens actief zijn geworden. Wie zich op de Joegoslavische ambassade in Moskou bereid meldt als vrijwilliger krijgt binnen enkele uren een visum en wat mondelinge instructies: in Belgrado moet hij bij dichtstbijzijnde politieagent zijn. Wie zich in Moskou niet wendt tot de ambassade maar tot een beweging of partij die zich actief bezighoudt met de militaire hulp voor Joegoslavië, maakt de missie nog eenvoudiger. Hij krijgt duidelijkere instructies en een contactnummer in Belgrado. Ervaren `soldiers of fortune' hebben de voorkeur.

In Joegoslavië zijn we tientallen vrijwilligers uit ex-Sovjet-republieken tegengekomen, mensen die oprecht hulp willen bieden aan de `broeders' in Servië, maar ook avonturiers die zich niet kunnen voorstellen dat ze niet in oorlog zijn. Een van hen is Feliks, bijgenaamd `Masjak' (kat). Ik ontmoet Feliks in het Grand-Hotel van Priština. In de kelder van het hotel is de staf van het leger gevestigd. De bovenverdiepingen zijn beschikbaar voor journalisten die hier durven te blijven.

Feliks is 31 jaar oud. Vier jaar heeft hij op de militaire academie gezeten, specialisatie: tanks. Daarna heeft hij drieëneenhalf jaar in Karabach (de omstreden enclave van Armeniërs in Azerbajdzjan, red.) gevochten. Op 20 maart (voor het begin van de NAVO-bombardementen) is hij naar Belgrado gekomen in overtuiging dat de Kosovaren een terroristische oorlog tegen de Serviërs hadden ontketend. ,,De nieuwe `sjiptari' (de van het woord Shqiptar, Albanees, afgeleide, beledigend bedoelde Servische term voor Albanezen) zijn net als de `nieuwe Russen' in Rusland'', zegt Feliks. ,,Ze handelden in drugs, totdat iemand besloot daaraan een einde te maken. De situatie was net als in Tsjetsjenië. Weet je, eenmaal in Kosovo had ik een droom: NAVO bombardeert Moskou. De volgende dag zag ik een niet-ontplofte Duitse raket, met bijna hetzelfde symbool als de raketten waarmee de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog Moskou bombardeerden: een gothisch kruis. Als soldaat geloof ik meer in mystieke voortekens dat in welke politiek dan ook.''

Feliks heeft zijn bijnaam `Kat'te danken aan zijn kleine gestalte, zijn verbazingwekkende elasticiteit en waarschijnlijk ook aan zijn wrede gedachtengang en daden. Hij is militair bij het tankpeloton in Kosovo. ,,Bovenal prefereer ik schieten. Daarom ben ik ook een boordschutter op de tank, hoewel ik een tank ook kan besturen, net zo gemakkelijk als mijn eigen lichaam. Ik heb daarvoor doorgeleerd. Ik ben opgeleid om te doden. Tussen de oorlogen in Karabach en Kosovo was ik twee jaar lang depressief. Ik had heimwee naar de oorlog, zoals je alleen maar heimwee kunt hebben naar een vrouw. Ik zou het nooit zo banaal uitdrukken als ik het niet zelf had meegemaakt. De geur van een ontplofte granaat kun je slechts ruiken als de omhoogspattende aarde weer terugvalt. Dat is ongeveer hetzelfde wanneer er een vrouw langsloopt met een verbijsterende geur. De vrouw is er niet meer, de geur wel. Dat is nou de geur van de moderne oorlog.''

Feliks en de Serviërs kunnen elkaar, zegt hij, maar voor 60 tot 70 procent verstaan. Maar de energie waarmee hij spreekt, maakt duidelijk meer indruk op de Serviërs dan het informatieve gehalte van zijn teksten. Zoals ook de daden van Feliks zelfs de Servische soldaten doen sidderen.

,,Ik kan niet vertellen waar onze tanks zijn'', vertelt hij, ,,maar het is voor niemand geheim dat ze daar zijn waar nog Albanezen te vinden zijn. In de ochtend is er inspectie van de wapens. Meer naar de avond toe houden we ons bezig met het zuiveren van het territorium. Ons peloton bestaat uit zes man: betrouwbare jongens en uitstekende bewapend. Dan gaan we naar de Albanese dorpen. De Albanese terroristen zetten ons eerst hun vrouwen voor. Ze dwingen hen naar buiten te gaan om ons te vertellen dat er binnen geen mannen zijn en zeker geen gewapende mannen. Wij geloven hen natuurlijk niet. Soms beginnen we die vrouwen te slaan, niet te erg maar alleen om een conflict uit te lokken. En dan beginnen de bangelijke sjiptari op ons en hun vrouwen te schieten.''

Feliks haalt een foto uit zijn zak, waarop Albanese soldaten te zien zijn tijdens militaire voorbereidingen in Kosovo. ,,Zij hebben zich natuurlijk ook voorbereid op de oorlog, maar wel slecht en erg onprofessioneel. Ik heb deze foto gevonden in een Albanees huis. De man hier links op de foto heb ik zelf gedood. Pal ervoor had hij zelf zijn vrouw vermoord die mij probeerde te overtuigen dat er geen man thuis was.'' Feliks toont een andere foto. ,,En dit is een foto van haar en de kinderen. Uit hun familie-album. De man rende zijn huis uit en begon in de wilde weg te schieten. Hij schoot zijn hele magazijn leeg. Toen het schieten ophield, bleef hij staan met ogen vol van waanzin. Ik schoot slechts één keer. Hij viel dood neer.''

Op de vraag hoeveel Feliks er al gedood heeft, antwoordt hij onverstoorbaar: ,,Negen. Tien heb ik er standrechtelijk geëxecuteerd.'' Na een onderbreking gaat hij verder. ,,Soms ga ik naar een Servische Kerk of bezuip ik me.''

Sergej komt uit Basjkirië. Voor de oorlog handelde hij in medisch gereedschap en noemde zichzelf `bussinesman'. ,,Ik ben moslim van geboorte. Ik ben geboren in een islamitische republiek. Mijn gezin woont er nog steeds. Ik vecht hier niet tegen de Albanezen. Het is hun eigen conflict. Ik vecht hier tegen Amerika. Op de vierde dag van de bombardementen heb ik mijn handel stilgelegd en me tot het leger gewend. Vier dagen lang werd ik van de ene naar de andere plaats geslingerd, totdat ik echte militairen tegenkwam in plaats van ambtenaren. De militairen hadden meteen door dat ik ervaring had met luchtafweergeschut. Ik kon meteen door Kosovo.''

In tegenstelling tot Feliks is Sergej een man van weinig woorden. Hij heeft zelfs geen kalasjnikov. ,,Ik ben zeer teleurgesteld dat Rusland geen militaire hulp wil geven. Ik schaam me voor mijn land. Rusland is verplicht Joegoslavië hulp te bieden, alleen al omdat Amerika als eerste de pin uit de granaat trok. Kosovo is een plaats waar menselijke woede geconcentreerd is. Voor het eerst was ik hier in 1966. Ik was vijf jaar. Ik ben toen hier zelfs met mijn oma naar de synagoge geweest. Kosovo is mijn tweede vaderland. Ik begrijp de mensen hier beter dan in mijn eigen Basjkirië. Hier voel ik me meer thuis dan daar waar ik geboren ben. Hier ben ik nodig, dat begrijp ik en dat voel ik.''

De bar Boemi in het centrum van Belgrado is 's nachts het verzamelpunt van mafiosi uit Montenegro. Zij ontkennen het niet. Elk van hen heeft een loop onder zijn oksels. Hier zijn het luchtalarm en de bomexplosies niet te horen, omdat alleen het kabaal van de muziek te horen is.

Montenegrijnen staan niet alleen bekend om hun liefde voor geweren maar ook om hun liefde voor de Russen. En soms is die oprecht. De woorden van het Russische lied `Katjoesja' hebben ze bijvoorbeeld op hun eigen manier vertaald.

De meisjesnaam Katjoesja werd in de Tweede Wereldoorlog ook gegeven aan de eerste Sovjet-raketinstallatie die bij de soldaten huivering wekte en voor vele belangrijke vernielingen zorgde. Tegenwoordig heeft Rusland een niet minder populair wapen: de S-300, die vanaf 1000 kilometer vliegtuigen op kan blazen nog tijdens het opstijgen van de vliegbasis. Naar dit wapen zal ieder Serviër elke passerende Rus vragen: ,,Jullie zijn toch Slaven, wanneer geven jullie ons de S-300?''

Slechts één keer zegt een Montenegrijn tegen een Rus: ,,als jullie er niet waren – Russische Aziaten en joodse communisten – dan hadden wij hier nooit oorlog gehad.." Waarop de Rus antwoordt: ,,Wees een Europeaan, zorg ervoor dat je beter ruikt!''

Vertaling Alexandra Ourikh