De stad als superpretpark

Steden worden in hun hart steeds meer opeenhopingen van winkelcentra, megabioscopen, themarestaurants en casino's. Niet alleen in Amerika.

De wonderlijkste file van Nederland staat elke zondagmiddag in Amsterdam. Van het Weteringcircuit tot de Dam staan automobilisten dan in een kilometerslange rij geduldig te wachten op een plek in de parkeergarage bij het warenhuis De Bijenkorf. Tot wanhoop van het stadsbestuur, dat vindt dat de files de hele binnenstad verstoppen, is het wachten geen enkel bezwaar voor de bezoekers. Andere parkeergarages hebben altijd plek genoeg, maar worden gemeden, vermoedelijk omdat de automobilisten de weg niet kennen in Amsterdam en als een kudde schapen achter elkaar aan hobbelen. Wachten hoort bij een dagje Amsterdam en sommigen nemen zelfs een thermoskan koffie en broodjes mee om het langdurige verblijf in de auto te veraangenamen.

Tegelijkertijd braakt het Centraal Station een voortdurende stroom bezoekers uit die de stad over de viezige `rode loper' van het Damrak te voet binnentrekken. Al vroeg op de zondagochtend - om een uur of elf, nog voor de winkels open zijn - komt de stroom op gang om pas aan het einde van de avond uit te dunnen.

Al deze massa's, die de stad elk weekeinde in een wurgende greep nemen, komen om te `funshoppen'. Funshoppen is veel meer dan alleen winkelen. Het Amsterdamse winkelaanbod is nu ook weer niet zo bijzonder dat het dergelijke massa's bezoekers rechtvaardigt. Slenteren, eten, drinken op een terras of in een café, een bezoek aan een bioscoop, voetbalwedstrijd, museum of andere attractie - al dit soort dingen vallen ook onder `funshoppen'. Amsterdam is dan ook niet alleen een winkelstad, het is een Urban Entertainment Destination (UED), zoals de Canadese socioloog John Hannigan het noemt in zijn boek Fantasy City. Met dit belangrijke boek, dat als ondertitel pleasure and profit in the postmodern metropolis kreeg, komt Hannigan de eer toe een goede naam te hebben verzonnen voor een verschijnsel dat zich op de hele wereld voordoet. Fantasy Cities heten voortaan de stadscentra die steeds meer verworden tot opeenhopingen van winkelcentra, megabioscopen, casino's, themaparken en andere attracties.

Helemaal nieuw is Fantasy City niet, moet Hannigan toegeven. Fantasy City heeft zijn voorganger in de centra van de grote Amerikaanse steden uit het begin van deze eeuw. Toen beleefde het vermaak in de Amerikaanse steden zelfs een gouden tijd: in New York bijvoorbeeld wemelde het op en rondom Times Squares van de grote en kleine theaters, bioscopen, dance-halls en andere attracties, die soms verbazende vormen aannamen. Zo vertelt Hannigan uitgebreid over The Hippodrome, dat de vermaaksondernemer Frederic Thompson in 1905 opende. Dit theater in het hart van Manhattan had 5.200 zitplaatsen en was uitgerust met opzienbarende voorzieningen, zoals een 5 meter hoge watertank waarin historische zeeslagen konden worden nagespeeld. Het theater had 1.000 mensen en een flink aantal paarden en olifanten in dienst en gaf wekelijks veertien voorstellingen van programma's als `A Yankee Circus On Mars'.

New York had toen natuurlijk ook Coney Island, het immense pretpark aan de kust van Brooklyn, dat jaarlijks vele miljoenen bezoekers trok en nu nog steeds in afgeslankte vorm een morsig bestaan leidt.

Havengebieden

De beurskrach van 1929 luidde het einde in van de gouden tijd van het Amerikaanse binnenstedelijke vermaak en het einde van de Tweede Wereldoorlog leidde niet tot herstel, zo laat Hannigan zien. Voor de uit de oorlog terugkerende soldaten werden geen huizen gebouwd in de toen al enigszins verloederde en als onveilig ervaren stadscentra, maar in ruim opgezette voorsteden. Later streken hier in de zee van losstaande huizen ook de shopping malls en themaparken neer, zoals in 1955 Disneyland in Anaheim, een voorstad van Los Angeles. Zulke voorstedelijke winkelcentra en themaparken trokken nog meer publiek weg uit de stadscentra, die op den duur alleen nog uit kantoorgebouwen en 's avonds gesloten lunchrooms bestonden.

Het keerpunt kwam pas in de jaren tachtig. Toen begonnen steden als Boston, Baltimore en New York met de wederopbouw van hun in onbruik geraakte havengebieden. Vervallen, maar pittoreske en karakteristieke havengebouwen werden opgeknapt en boden onderdak aan `festival markets', complexen met levensmiddelenwinkels met een bijzonder aanbod en met `gezellige Europese' restaurants en cafés. Hier leerden de Amerikanen cappuccini prefereren boven hun eigen koffie.

De herlevende Amerikaanse havengebieden waren zo succesrijk, dat legers Nederlandse wethouders ze bezochten. Maar terwijl in Nederland de eerste voorzichtige pogingen werden gedaan om vervallen havengebieden op te knappen, gingen in Amerika de ontwikkelingen in de jaren negentig verder. Wonderlijk genoeg verschenen in de binnensteden shopping malls, een fenomeen dat tot de jaren negentig juist iets typisch voorstedelijks was. Ook de bioscopen keerden terug naar het centrum, meestal als megaplexen met een stuk of twintig zalen en vaak ondergebracht in de malls. Tegelijk verschenen er in de centra ook 's avonds geopende restaurants, veelal in een gethematiseerde vorm. `Eatertainment' noemt Hannigan dit verschijnsel: restaurants als Planet Hollywood en Hard Rock Café, die nu overal ter wereld vestigingen hebben, serveren niet alleen maaltijden, maar bieden ook vermaak in de vorm van filmfragmenten, video's en uitgestalde kledingstukken, instrumenten en andere trofeeën van filmsterren en popmuzikanten. Hetzelfde geldt voor de winkels, die in de Verenigde Staten steeds meer het karakter van `shopertainment' krijgen. De bekende sportspullenfabrikant Nike heeft in de Verenigde Staten al verschillende kolossale warenhuizen geopend, die een mengeling zijn van winkel, sporttrofeeën-museum en multimedia-presentaties van sportevenementen.

Zelfs musea ontwikkelen zich steeds meer tot instellingen die `edutainment' bieden, stelt Hannigan vast. Vooral historische en wetenschapsmusea maken steeds meer gebruik van nieuwe, liefst interactieve media die al lang worden toegepast in pretparken. ,,We moeten een gezellig dagje uit voor de hele familie bieden, niet een stoffig museum. Dat kun je je niet meer permitteren'', zo citeert Hannigan een conservator van een Brits historisch museum.

Themarestaurants

Las Vegas is de proeftuin voor de nieuwste snufjes op het gebied van de vermenging van vermaak, musea en winkels. Deze woestijnstad is al lang veel meer dan alleen een stad voor gokkers. Tegenwoordig biedt Las Vegas eindeloos vermaak voor het hele gezin. Casino's zijn er uitgegroeid tot immense bouwwerken, waar alles is ondergebracht wat stadscentra tegenwoordig bieden. De toerist hoeft zijn casino-hotel met meestal duizenden kamers niet meer uit: hij kan er eten in restaurants, koffiedrinken in cappuccinobars, van concerten en musicals genieten in theaters, `shoppen' in exclusieve winkels en rondsuizen in achtbanen. Sinds de opening van het hotel Bellagio vorig jaar kan hij er zelfs kijken naar echte Monets, Van Goghs en Pollocks. En dat allemaal in een omgeving die tot in het kleinste detail is vormgegeven volgens een bepaald thema. Zo is Excalibur een middeleeuws sprookjeskasteel, staat Luxor van top tot teen in het teken van het oude Egypte, en is New York New York een verkleinde en gecondenseerde versie van de echte metropool.

Buiten Las Vegas is de Las Vegas-formule tot nu toe het opzienbarendst toegepast op Times Square en 42nd Street in New York. Na de Tweede Wereldoorlog was dit werelberoemde uitgaanscentrum verworden tot een no-go-area waar alleen pornowinkels, peeshotels en goedkope restaurants standhielden. Maar in de jaren negentig is het dankzij samenwerking tussen de stedelijke overheid en grote investeerders als Sony en Disney weer een toeristische topattractie geworden. Tot diep in de nacht begeven drommen mensen zich nu weer naar Times Square, naar de themarestaurants, megabioscopen, theaters en winkels van onder meer Nike, die allemaal schuilgaan achter gevels die zoveel licht geven dat ze zich gemakkelijk kunnen meten met die van Las Vegas.

De verklaring van de renaissance van gebieden als die rondom Times Square zoekt Hannigan in het verval van de voorsteden. De Amerikaanse suburbs worden tegenwoordig geteisterd door ongemakken die vroeger werden geassocieerd met stadscentra. Ook voorstedelingen staan tegenwoordig in de file, en de oude saaie shopping malls waar ze moeten winkelen, worden niet zelden geterroriseerd door jeugdbendes. Bovendien leiden steeds meer Amerikanen een gejaagd leven, dat het hun onmogelijk maakt lange vakanties te houden. Maar een paar dagen naar een grote stad met een vermakelijk en bovenal veilig centrum behoort wel tot de mogelijkheden van de goed verdienende babyboomers.

Damrak

Hannigan beperkt zich in zijn boek tot Fantasy Cities in Amerika en Azië. Misschien heeft hij Europa buiten beschouwing gelaten, omdat de centra van de meeste grote steden in dit werelddeel nooit zo desolaat geworden zijn als die in Amerika. Spectaculaire en kostbare gedaanteverwisselingen als die van Times Square zijn hier zeldzamer. Maar toch is ook een stad als Amsterdam sluipenderwijs een heuse Fantasy City geworden.

Amsterdam voldoet aan alle kenmerken van de typische Fantasy City die Hannigan noemt in zijn boek. Musea, waaraan in Amerikaanse Fantasy Cities nog wel eens een gebrek is, heeft de stad in overvloed en ook een aquarium en een planetarium zijn er gevestigd binnen de singelgracht, de grens van het oude centrum. Een casino heeft de stad al jarenlang op een prominente plek bij het Leidseplein, evenals enkele themarestaurants. Het Amsterdamse Hard Rock Café ligt aan de rand van het centrum en de vestiging van Planet Hollywood is ondergebracht in een gerestaureerd monument van het Nieuwe Bouwen, Jan Duikers voormalige Cineac-bioscoop. Van hallen waar men hightech- en virtual-reality-spelletjes kan spelen, zijn er verschillende op het Damrak. Hier bevinden zich bovendien bizarre attracties als het seksmuseum, het martelmuseum en een café met serveersters met grote borsten. Bij de Dam heeft het wassen-beelden-museum van Madame Tussaud een plek gevonden, een attractie die in geen enkele Fantasy City mag ontbreken. Een megaplex, een kolossale bioscoop met een stuk of twintig theaters, heeft de stad nog niet, maar vlakbij Tuschinski, het mooiste filmpaleis van Nederland, is er een in aanbouw. Shopping malls heeft Amsterdam inmiddels al wel gekregen. Het schitterende neogotische hoofdpostkantoor is al jaren geleden verbouwd tot het zogenaamde Magna Plaza met een keur aan winkels. Van meer recente datum is het Kalvershof, dat aan de kant van het Singel gedeeltelijk schuilgaat achter een behouden gebleven negentiende-eeuwse gevel. Ook megastores komen voor in het centrum van Amsterdam. Voor cd's zijn er zelfs twee – Virgin en Fame, niet ver van elkaar – en voor boeken één: de zaak van Scheltema, Holkema en Vermeulen op het Spui, die gaat uitbreiden met onder meer een koffietent, zodat hier binnenkort sprake is van de voor Fantasy City zo kenmerkende vermenging van winkelen en consumptie.

Ook `edutainment' bestaat in Amsterdam. Het Rembrandthuis, gevestigd naast de multimedia-presentatie Holland Experience, wil op echt Las Vegiaanse wijze een `reconstructie' maken van Rembrandts huis zonder over de echte spullen van Rembrandt te beschikken. Het verst in de `edutainment' gaat het twee jaar geleden geopende wetenschapsmuseum Metropolis dat de omineuze vorm van een zinkend schip heeft gekregen. Hier is het hele museum veranderd in één groot interactief spel.

Het Fantasy-City-karakter van Amsterdam wordt vooral goed duidelijk bij mooi weer. Dan worden de grachten, als een kunstmatig meer in een pretpark, niet alleen het domein van rondvaartboten, maar ook van gehuurde trapboten en een enorme variëteit aan zuipschuiten. De wallekanten en zelfs bruggen worden bij zonneschijn als terrassen geconfisqueerd door cafés, waardoor ze veranderen in half publieke-half private ruimten. Bij goed weer is het centrum van Amsterdam één groot pretpark.

De vraag is natuurlijk of dit erg is. Zijn Fantasy Cities nu een vloek of een zegen? Sommige cultuurvorsers zien in Fantasy City de redding van de binnensteden, maar Hannigan heeft er bezwaren tegen. Alle Fantasy Cities lijken op elkaar, schrijft hij: ,,Hoe meer steden hun best doen om zich met verschillende dingen te onderscheiden, des te meer ze op elkaar gaan lijken met steeds dezelfde serie attracties.'' Bovendien zijn Fantasy Cities exclusief. Een eerste vereiste voor het succes van een Fantasy City is veiligheid - anders blijven de middenklassers uit de buitenwijken weg, schrijft Hannigan. In Fantasy City is dan ook geen plaats voor zwervers en andere marginalen. De shopping malls van de Fantasy Cities worden nauwlettend in de gaten gehouden door privé bewakingsdiensten, die ongewenste elementen verwijderen: publieke ruimte is veranderd in privé ruimte.

Maar Hannigans belangrijkste bezwaar tegen Fantasy City is dat het onecht en `niet authentiek' is. Welk thema een stad ook kiest als decor van zijn Fantasy City - of het nu `oude haven' is of `Arabische bazaar' - het is altijd kunstmatig. De identiteit van Fantasy City komt niet voort uit de stedelijke gemeenschap, maar wordt door investeerders verzonnen.

Grappig genoeg gaat Hannigans laatste en belangrijkste bezwaar voor Amsterdam niet op. Voor de Amsterdamse Fantasy City hoefde geen thema te worden verzonnen, want dat was er al in de vorm van de bestaande oude, zeventiende-eeuwse stad. Alle winkels, shopping malls, megaplexen, megastores, musea, themarestaurants, en trapbootaanlegsteigers hebben als decor een échte oude stad. Het oude centrum van Amsterdam is kortgeleden zelfs uitgeroepen tot `beschermd stadsgezicht' en vormt zo een zekere basis voor de uitbouw van een `authentieke' Fantasy City: Amsterdam is een Super Fantasy City.

John Hannigan: Fantasy City. Pleasure and profit in the postmodern metropolis. Uitg. Routledge, Londen and New York, 239 p. Prijs ƒ 62,-.