De prinses in het panterprintje

Hoe het werkelijk was tijdens de Gouden Eeuw van Egypte weet niemand. De fantasie krijgt vrij spel op een tentoonstelling in Parijs.

Aan mooie bijnamen heeft het de grafmonumenten van de Egyptische koningen nooit ontbroken. De oude Grieken, die de concurrentie bij voorkeur kleineerden, gaven de immense bouwwerken de naam van de driehoekige tarwekoekjes die ze dagelijks aten: `puramides'. Sindsdien zijn de piramides aangeduid als Wereldwonderen van de Woestijn, als Astrologische Kalenders, of simpelweg als Veertig Eeuwen Beschaving (Napoleon). En nu, in de prestigieuze catalogus van de tentoonstelling L'art égyptien au temps des pyramides, heten ze `postbodes van de eeuwigheid'. Immers, vanaf de 24ste eeuw voor Christus werden de koningsgraven van binnen bedekt met teksten die de farao moesten helpen bij zijn reis naar de eeuwigheid; een soort Michelingids voor het hiernamaals.

Op de monumentale Egypte-expositie in het Grand Palais – zeer toepasselijk georganiseerd in het jaar dat Parijs de tiende verjaardag van de glazen piramide van het Louvre viert – is een aantal van deze `Piramideteksten' te zien. De hiërogliefen zijn ontcijferd, maar daar gaat het niet om; de brokstukken waarin ze gegraveerd zijn, worden als kunstwerken tentoongesteld. Wat telt zijn de kleine vogels, slangen, en geometrische vormen, die door subtiel-groene inkleuring ook voor het niet-begrijpende oog een lust zijn.

L'art égyptien... is een l'art-pour-l'art-tentoonstelling, al klinkt dat misschien vreemd in verband met de Egyptische kunst, die vóór alles functioneel was: wandreliëfs boekstaafden de daden van de dode, standbeelden bewaarden zijn ka (ziel, onstoffelijke levenskracht), gebruiksvoorwerpen moesten het hem in het hiernamaals gemakkelijk maken. Zelfs het zo modern-humoristisch aandoende reliëf van een aangelijnde baviaan die als een bloedhond achter een rennende fruitdief aanzit, moet vier millennia geleden een duidelijke functie hebben gehad.

De strip met de waakse aap – `Sla dat beest, opdat hij mij loslaat' melden de hiërogliefen die uit de mond van de dief komen – is een van de marktscènes uit de tombe van de hogepriester Tepemankh die in de vorige eeuw werd opgegraven. Zoals veel Egyptische kunstschatten raakten de reliëfs verspreid over verschillende grote musea. Vijf stukken, uit Brussel, Kairo en Londen, zijn voor deze tentoonstelling voor het eerst sinds honderdvijftig jaar weer bij elkaar. Daarmee is de puzzel niet compleet, want in Moskou en Cambridge Massachusetts liggen andere stukken, terwijl er in de eeuwen voor de ontdekking al veel verloren was gegaan. Maar reconstructies als deze versterken de uitstraling van de Grand Palais-expositie, die zich erop beroemt de eerste te zijn die ooit aan de kunst van het Oude Rijk, de vijfhonderd jaar durende Gouden Eeuw van Egypte, is gewijd.

Kind-koning

De meer dan tweehonderd tentoongestelde beelden, beeldjes, reliëfs, meubels en sieraden op L'art égyptien moeten grotendeels voor zichzelf spreken, omdat er heel weinig over de `tijd der piramiden' (ca 2700-2200 vC) bekend is. Uit latere overlevering kennen we de namen van de meeste koningen van de IIIde tot en met de VIde dynastie, van de founding father Djoser, via de Gizeh-bouwmeesters Cheops, Chefren en Mycerinos, tot de kind-koning Pepi II, die volgens de legende negentig jaar op de troon zat. Het gezag zetelde in Memphis, het land werd nauwelijks bedreigd door de andere volkeren in het Midden-Oosten, de toegepaste kunst bloeide in isolement, en voor het overige weten we niets meer dan wat de verbeeldingen van het dagelijks leven uit de graftombes suggereren. Het maakt dat je in Parijs bepaald niet wordt afgeleid door een stortvloed aan historische informatie.

En zo kan de aandacht in alle rust uitgaan naar de ontwikkeling van de Egyptische sculptuur. De tentoonstelling begint sereen en streng, met de levensgrote beelden van een echtpaar uit de IIIde dynastie. De vrouw staat stokstijf, met haar rechterarm strak langs haar lichaam en haar linker in een perfecte rechte hoek – als een cycladisch beeldje met een Egyptische pruik. De man heeft zijn armen in dezelfde houding en staat met zijn linkervoet naar voren. Hun relatie blijkt uit de opschriften op hun sokkels, verder staan ze los van elkaar. Een groot verschil met het volgende afgebeelde echtpaar: de 150 jaar jongere Mycerinus en zijn vrouw. De glimmend-zwartstenen koning staat er, met zijn traditionele hoofdbedekking en rokje, als een trotse bokser bij, terwijl zijn in doorkijkjurk geklede vrouw haar rechterhand om zijn middel slaat en haar linker tegen zijn biceps houdt.

De liefde tussen man en vrouw, of liever de verbeelding daarvan in de beeldhouwkunst, werd er in de loop der eeuwen alleen maar levensechter op. De in beschilderd kalksteen weergegeven `Iaib en zijn echtgenote Choeaoet' (late IVde dynastie) staan nog veel losser tegen elkaar, beentje-vrijend zou je bijna zeggen, terwijl `Memi en zijn echtgenote Saboe' iets ronduit aandoenlijks hebben, ook al doordat de vrouw volgens Egyptisch gebruik flink wat kleiner werd afgebeeld dan de man die haar vaderlijk omarmt.

Realistisch waren de portretten ongetwijfeld niet; de Egyptische beeldhouwers specialiseerden zich in ideaaltypes. Maar wie tegenover het groepsbeeld van de hoge ambtenaar Nykare en zijn gezin uit de Vde dynastie staat, kan niet anders dan aannemen dat dit mensen zijn die echt geleefd hebben: de wijsvinger die Nykare's zoontje op zijn lippen legt, lijkt het equivalent van de gekke bek die een onwillig modern kind tegen de fotograaf trekt.

Musicerende dwerg

L'art égyptien is niet alleen een ode aan het gelukkige gezinsleven en aan de verscheidenheid van het basismateriaal van de steenhouwer: gneiss, grauwacke, zandsteen, albast, graniet. Ook de andere, uit de dodensteden afkomstige (solo) beeldjes stralen een grote levendigheid uit. De kalkstenen modellen van scènes uit de kleine middenstand bijvoorbeeld, bijeengebracht in een aparte zaal: een pottenbakkend mannetje, een musicerende dwerg, een zogende min, en een tot in de kleinste details getroffen slager die op het punt staat een rund aan te snijden. Vlak daarnaast staat een beeldje van een geknielde bakkersvrouw die overduidelijk bezig is haar deeg in het zweet des aanschijns te kneden.

Tot zover het harde werk. De luxe, calme et volupté van de Egyptische hofcultuur komt het mooist tot uitdrukking op twee reliëftafelen met profiel-afbeeldingen van een prins en prinses uit de tijd van Cheops. Ze zijn in perfecte staat, en tonen de royals aanzittend aan een begrafenismaal. Beiden hebben een tafel vol broden voor zich staan, en worden omringd door feestelijke hiërogliefen die aangeven wat ze verder nog in het hiernamaals nodig hebben. De man heeft een hip sikje en een Valentino-oog. De vrouw draagt een jurk met panterprint en een Cleopatra-kapsel avant-la-lettre. Ondanks schoenmaat 44 oogt ze als het summum van verleidelijkheid; je ziet haar al langs de piramides paraderen in de blote haute couture-jurk van cilindervormige parels die enkele vitrines verder wordt geshowd.

Iedere bezoeker van L'art égyptien kan zijn of haar eigen verhaal verzinnen: hoe het echt geweest is, weet toch niemand. Dus zien we in een reliëfbrok met een half gezicht en een paar hiërogliefen niet zomaar de `Vizier Hemioenoe', maar een originele afbeelding van een groot ziener. Een kunstig bewerkt kistje van nijlpaardivoor wordt de bewaarplaats van het liefste speelgoed van de kind-koning Pepi. En het onthoofde torso van een vrouw in dun gewaad – de Venus van Gizeh – groeit uit tot de oermoeder van femmes fatales als Nefertite en Cleopatra.

Maar het indrukwekkendste stuk in het Grand Palais laat het minst aan de vrolijke verbeelding over. Het is een klein reliëf in grijze kalksteen met twee broodmagere figuurtjes. Hun gezichten zijn ingevallen, hun sleutelbeenderen steken uit, hun tailles zijn polsdik en hun armen zijn stakerig en lang. Deze mensen, bewoners van de oostelijke woestijn van Egypte, lijden honger. De voedselhulp van koning Oenas, die ze in zijn piramide liet afbeelden als getuigenis van zijn goede daden, moet wel haast te laat zijn gekomen. Ze verkeren al in de apathie van de naderende dood, net als de uitgemergelde Oost-Afrikanen die bij iedere moderne hongersnood op televisie te zien zijn. Het is die associatie, met Soedan en Eritrea, die het onbekende en o zo vreemde Oude Rijk even heel dichtbij brengt.

L'art égyptien au temps des pyramides. Parijs, Grand Palais. T/m 12 juli, dinsdags en 1 mei gesloten. Catalogus (415 blz., geb.): 290 francs. Een selectie uit de tentoonstelling is te zien op Internet: www.expo-egypte.com