Carry van Bruggen: Prometheus, 1917

Toen in 1917 Carry van Bruggen (1881-1932) aan de redactie van De Gids voorstelde fragmenten van haar Prometheus, dat zij bijna voltooid had, op te nemen, was de historicus Huizinga, lid van die redactie, daartegen. `Goed geschreven is het zeker niet. Er zijn gedachten waar, zonder dat ze mooi zijn, wel gang in zit, maar andere (...) die zo omslachtig en dor van bouw en uitdrukking zijn, dat ze, in het Duits vertaald, voor gemiddeld Duits professorengeschrijf kunnen doorgaan. (...) Misschien staat mijn oordeel te zeer onder de invloed van de vervelendheid die het stuk eigen is. Maar is het daarmee niet eigenlijk al veroordeeld?'

Iemand die in zijn jeugd erg onder de indruk is gekomen van Prometheus en sindsdien Carry van Bruggen min of meer als zijn goeroe is gaan beschouwen, valt het zwaar Huizinga gelijk te geven. Maar nu hij onlangs het zeshonderd pagina's dikke boek herlezen heeft – tot dusver had hij het zo nu en dan slechts nageslagen op passages die hem destijds bijzonder getroffen hadden – moet hij toegeven dat hij er nu vaak niet dóór kon komen.

En dat terwijl de schrijfster in haar Voorwoord zegt dat zij `vooral gestreefd (heeft) naar eenvoud in uitdrukkingswijze'! Maar wat moeten we dan met een passage als deze: `de Noodzakelijkheid, die een deel der mensen bestemt om in en door middel van collectiviteiten der Eenheid zelfconservatisme te vertegenwoordigen tegenover de opheffende werking van der Eenheid zelfherkenning, produceert zich in de gemoederen der betrokken individuen tot `lust'...', en zo gaat die zin nog vele regels verder. En die passage is niet het enige voorbeeld van wat Huizinga noemt: omslachtigheid. Er zijn er vele meer.

Dit te ervaren was voor mij toch wel een schok. Had ik het boek, toen ik het als 25-jarige voor de eerste keer las, wel helemaal gelezen en, zo ja, wel helemaal begrepen? Te oordelen naar de vele potloodstrepen: ja. Was Carry van Bruggens stijl dan in de jaren dat zij schreef en ook nog in de jaren dat ik het las, heel normaal? Menno ter Braak, die er in zijn Politicus zonder partij (1934) enkele bladzijden aan wijdt, zegt wel dat het `niet schitterend geschreven' is en dat hem `het quasi-professorale doceren, het semi-wetenschappelijke schematiseren' bij herlezing wel gehinderd heeft, maar die bezwaren beletten hem toch niet lezing ervan `een sensatie van de eerste rang' te noemen. En H.A. Gomperts, die bij de tweede druk (1946) van dit `nooit gelezen boek' een inleiding schreef, valt al helemaal niet over de stijl van de schrijfster (het is waar dat hij, in de ogen van de hedendaagse lezer, ook nogal omslachtig is – Menno ter Braak trouwens ook).

Maar al is de receptie van het boek door latere critici op zichzelf een interessant thema, het gaat nu om het boek zelf. Waar gaat het over? De ondertitel zegt het: `een bijdrage tot het begrip der ontwikkeling van het individualisme in de litteratuur'. Het gaat om de `oppositiefiguur in de litteratuur', zoals Carry van Bruggen later ook zegt. Prometheus, die het vuur uit de hemel stal en daarom door Zeus aan een rots gekluisterd werd, is het symbool van `de strijd van het strevende individu tegen de machthebbende meerderheid (...), de strijd tussen de in zichzelf verdeelde mensheid, de in zichzelf verdeelde mens...' (heel mooi Nederlands is dit niet). Het gaat over de eeuwige strijd tussen de individualist en de collectiviteit.

Dit thema wordt met een macht aan voorbeelden uit de literatuur – van Tijl Uilenspiegel tot Galsworthy, over Macchiavelli, Thomas Moore, Pascal, Bossuet, Corneille, de la Rochefoucauld, Hobbes, Descartes, Bayle, Goethe, Hebbel, de Musset, George Bernard Shaw, Anatole France en vele anderen – uitgesponnen. Literatuurwetenschappers – van wie Gomperts er een was – moeten maar uitmaken of het hout snijdt wat Carry van Bruggen betoogt. Op mij heeft dat deel van het boek – overigens verreweg het grootste – kennelijk indertijd niet zo'n indruk gemaakt dat het mij bijgebleven was, al heeft het mij toentertijd er wel toe aangezet verschillende van die schrijvers te gaan lezen, onder andere de nu wel helemaal vergeten amateur-historicus Henry Thomas Buckle (1821-1862), wiens History of Civilization in Engeland ik toen ook opgeslorpt heb.

Maar al was herlezing van Prometheus voor mij een ontnuchtering – je moet eigenlijk nooit de plaatsen weer opzoeken of de boeken herlezen die in je jeugd indruk op je hebben gemaakt – ik wil Carry van Bruggen niet verloochenen. Ik voel mij schatplichtig aan haar, want zij heeft zaad in mijn geest gezaaid dat nog steeds nawerkt. Ongetwijfeld heeft de wijze waarop ik naar de wereld – en dus ook de politiek – kijk, nog steeds veel te danken aan haar manier van denken. Ik wil mij niet met Menno ter Braak vergelijken – zeker niet qua eruditie – maar ik had min of meer dezelfde ervaring als hij: `Ik zag hier een koppige streep door mijn filosofisch kasboek getrokken, die persoonlijk groepeerde wat in mijn academische hersens chaotisch dooreenlag.' Dat is voldoende om haar voor altijd dankbaar te zijn.

Wat heb ik aan Prometheus overgehouden? Laat ik, zoveel mogelijk in haar woorden, enkele van haar gedachten overnemen. `De enige realiteit is het contrast. Zien we geen contrast, dan onderscheiden we niet, dan zien we dus niets, want we merken de dingen slechts op door hun contrast met andere dingen. De dingen immers bestaan door hun verschil met andere dingen, zodat ook mensen, in het geestelijke en stoffelijke, slechts bestaan door hun verschil met anderen.'

`Distinctie, anders dan anderen te zijn, is de voorwaarde van ons zelfbehoud. Niet de machtswil is primair, maar de distinctiewil.' Maar de mens streeft niet alleen naar distinctie, zelfbehoud: daarnaast kennen we het eenheidsverlangen, de behoefte op te gaan (onder te gaan) in de geliefde, de collectiviteit, de godheid. Beide tegenstrevende verlangens zijn noodzakelijkheden van 's mensen bestaan. `De dubbele tendentie – naar de Eenheid en van de Eenheid – de wil tot stellen en de wil tot opheffen, verdeelt de mens in zichzelf en verdeelt de mensheid in tweeën.'

`Van het ogenblik af dat het individu opgaat (ondergaat) in een collectiviteit, vervangt deze de persoonlijkheid, die ze voortaan vertegenwoordigt. Aldus zelf tot `individu' geworden, zal de collectiviteit zich van andere collectiviteiten willen (moeten) onderscheiden, teneinde te bestaan. En hoe groter, machtiger, welvarender de collectiviteit, hoe meer eer voor het individu. Nationalisme, patriottisme is eigenliefde.'

Omdat de collectiviteit zich van andere collectiviteiten zal willen (moeten) onderscheiden teneinde te bestaan, is een wereldeenheid ondenkbaar. `Een `bond' zonder `tegenbond', zonder weerstrevend contrast, een unicum in de totaliteit, is een ondenkbaarheid.' Dus niet alleen een wereldeenheid is ondenkbaar, ook een bond zonder tegenbond. Einde van de NAVO, zelfs van de Europese eenheid (tenzij zij zich tegen Amerika zou gaan afzetten)?

De christelijke moraal, die liefde (dat wil zeggen zelfopheffing) is, is `individualistisch, onmaatschappelijk, dus maatschappelijk onbruikbaar'. Maar `met het christelijk beginsel is het gedaan als de christelijke kerk zegeviert. In de christelijke organisatie gaat het christelijke individualisme, dat is de essentie, het wezen van het christendom, ten onder'.

`Het gelukken van de Franse en Russische revoluties is evenzo de ondergang van de beginselen waarvan ze de verwerkelijking moesten zijn. Van alle beginselen is de vervulling, de vormgeving tegelijkertijd de ondergang. Zo ook met de Reformatie: toen zij een kerk wilde worden, een organisatie, toen de beginselen van het `behoud' het wonnen van die der `opheffing', toen was het meteen weer uit.' Prometheus, de rebel, was Zeus geworden.

`De Reformatie begint dan ook niet in 1517, zij eindigt dan juist. De Franse Revolutie begint niet in 1789, maar zij eindigt dan.' De Russische Revolutie begon terwijl Carry van Bruggen met haar boek bezig was, maar zij voorspelt al: `In de overwinnaars van heden eindigt de Russische Revolutie, zo goed als de Reformatie in Luther en Calvijn, en de mazelen in de zichtbare `uitslag'.' (Zij houdt van woordgrapjes, die zij niet als grapjes beschouwt.) Ondanks haar rebelsheid kan zij niet bij de `krachten van de vooruitgang' gerangschikt worden. Het socialisme is haar veel te collectivistisch. Vandaar waarschijnlijk dat Annie Romein-Verschoor, die haar in haar Vrouwenspiegel opnam, nogal zuur over haar is (maar ja, Annie was überhaupt nogal zuur).

Het is heel wel mogelijk dat die gedachten van Carry van Bruggen niet origineel zijn; dat zij veel heeft ontleend aan eerdere filosofen (Gomperts noemt haar filosofie hegeliaans). Zo ja, dan zou dat afdoen aan haar betekenis als oorspronkelijk filosoof. Maar voor mij maakt dat niet veel uit. Het is door haar dat ik met die gedachten – of ze nu origineel waren of niet – kennis heb gemaakt.

Heeft Prometheus invloed gehad? Gomperts spreekt in 1946 van een `nooit gelezen boek'. Dus die invloed zal niet groot zijn geweest, en hoewel er nog een derde druk is verschenen, is er van een latere invloed evenmin veel merkbaar. Daarvoor is Prometheus waarschijnlijk te weinig `maatschappelijk bruikbaar', te weinig opbouwend, te relativistisch. Op mij heeft het, op een ontvankelijke leeftijd, wèl invloed uitgeoefend, maar of die invloed ten goede dan wel ten kwade heeft gewerkt – dat is een vraag waarvan ik de beantwoording aan anderen moet overlaten.

Carry van Bruggen: Prometheus. Een bijdrage tot het begrip der ontwikkeling van het individualisme in de litteratuur. 1917. Van Oorschot (1992), ƒ52,50