Bezeten van cokes en kunst

In het woeste landschap van de Amerikaanse economische geschiedenis doolt Henry Clay Frick (1849-1919) gewoonlijk rond als een genadeloze robber baron, als de kolen- en staalmagnaat die geen tegenspraak duldde. Marx & Engels hadden hem kunnen bedenken. Natuurlijk is er flink over hem geschreven, maar een zogeheten intiem portret ontbrak tot op heden. Zijn achterkleindochter heeft dat nu goed gemaakt. Volgens eigen mededeling kon ze daarbij als eerste putten uit het familiearchief en tevens uit verhalen die in familiekring nog steeds de ronde doen.

Behalve een keiharde tycoon blijkt Frick een heus mens te zijn geweest, met verlangens en onzekerheden. En een allesoverheersend verdriet. Dat verdriet heette Martha, zijn engelachtige dochtertje dat na een lang en vreselijk ziekbed, net zes jaar oud, in 1891 overleed. Hoewel Frick een held was in het overwinnen van tegenslagen, zou hij dit verlies nooit te boven komen. Na 1891 werd zijn leven, ietwat overdreven gesteld, één lang rouwproces. Frick en zijn echtgenote hadden nog twee kinderen en Martha's dood sloeg ook een gat in hun leven. Mogen we de auteur geloven dan poogde Frick het gat te vullen met meesterwerken uit de schilderkunst, die grotendeels uit Europa afkomstig waren. Het eindresultaat was de Frick Collectie, een verbijsterende verzameling door zowel schoonheid als omvang – en sinds 1935 in de stad New York toegankelijk voor het publiek.

Met droge ogen zullen we er na de lezing van dit boek nooit meer naar kunnen kijken. Het intieme portret is wel héél intiem, vervaardigd door een nazaat die niet verbergt wegens persoonlijke problemen in therapie te zijn geweest. Het gevolg is dat geschiedenis bij haar verandert in psychohistorie. Of liever: het betreft hier deels een `gewone' biografie, deels een radicaal `verklarende'. Min of meer gewoon is haar behandeling van Fricks jeugd en opkomst als een van Amerika's machtigste zakenlieden.

De goudgelokte Henry was de oogappel van zijn moeder en grootmoeder, zo zwak van gezondheid dat hij weinig kon bijdragen aan het bescheiden boerenbedrijf van zijn vader in West Oregon, Pennsylvania. Daar hij geen stoere all American boy was stak hij zijn neus in de boeken en bekwaamde zich wat later in het boekhouden. Hij bleek er talent voor te hebben, maar nog groter was zijn eerzucht: hij nam zich voor miljonair te worden. Hoe dat lukte blijft een fascinerend verhaal.

Als twintigjarige werd Frick met geleend geld partner van een firma die in Pennsylvania cokesfabrieken exploiteerde. De jongeman had een grootse visie. Weldra zou de hemel boven Pittsburg en omstreken worden verduisterd door de tientallen fabrieken die hij uit de grond stampte. Frick kocht zijn partners uit, hield het hoofd koel tijdens financiële crises en ging in spoorwegen investeren. Al wat hij aanraakte veranderde in zakelijk goud. Zijn nieuw verworven rijkdom spreidde hij opzichtig ten toon, ook zijn jonge vrouw deed er van harte aan mee. In 1880 trok hij met een stel vrienden voor het eerst naar Europa waar hij als kunstliefhebber – de auteur kan niet goed uitleggen wanneer en waarom hij deze liefde opvatte – een gang langs de grote musea maakte. In Nederland mocht Frick volgens haar de hand van koning Leopold schudden – waarschijnlijk heeft ze de verkeerde koning voor zich.

Zijn hang naar luxe ten spijt spaarde Frick zich als zakenman bepaald niet. Van zijn werknemers verlangde hij hetzelfde, liefst meer. Een gebiedende eis was dat ze geen lid van een vakbond mochten zijn. In de Verenigde Staten ging de industriële vooruitgang in de laatste twee decennia van de negentiende eeuw gepaard met vaak bloedige arbeidsconflicten. Frick speelde een hoofdrol. Stakingen liet hij meedogenloos neerslaan, nu eens door Pinkertons gewapende detectives, dan weer door de militie van de deelstaat. Er vielen tientallen doden, met als dieptepunt de Homestead Steel Strike van 1892, kort na het overlijden van zijn dochtertje.

Anders dan Andrew Carnegie – Frick en hij waren sinds 1882 compagnons – wenste Frick geen enkele concessie aan de bonden te doen. Stakers werden met gezin en al zonder pardon uit hun huizen gezet en vervangen door nieuwe immigranten die zich met een habbekrats tevreden stelden.

Voor de anarchist Alexander Berkman was het reden een aanslag op Frick te beramen. Op 23 juli 1892 moest het gebeuren. Die dag stormde hij Fricks kantoor binnen, trok een pistool en trof de kwelgeest van de arbeidersklasse tot tweemaal in het hoofd. Frick bloedde hevig maar weigerde de geest te geven, zelfs toen Berkman – alvorens te worden overmeesterd – hem met een dolk in de rug stak. Toegesnelde artsen konden de kogels pas verwijderen nadat Frick halfbewusteloos weer achter zijn bureau was gaan zitten om een belangrijk contract te ondertekenen. Jaren later zou hij intimi toevertrouwen dat hij, met de dood voor ogen, een verschijning had gezien. Wie anders dan de kleine Martha?

De biografe is niet op zoek naar eerherstel voor Frick. Ook zij noemt het gedrag van haar overgrootvader dubieus en illustreert dat met talrijke voorbeelden. Maar achter diens stalen façade ontdekte ze tegelijk een jongen die wegens zijn liefde voor de kunst bang was een sissy te worden. Een magnaat die als verzamelaar zijn keuze liet bepalen door de herinnering aan Martha, of door heimwee naar het idyllische Pennsylvania van zijn jeugd, nog niet verpest door zijn eigen stinkende cokesfabrieken. Rembrandt leek zijn grootouders te hebben afgebeeld, en waar El Greco de Jezus schilderde die het schorem uit de tempel joeg, ontdekte hij zichzelf in zijn strijd met de vakbonden. De auteur stelt zich, kortom, ten doel elk doek dat Frick verwierf, van de Vlaamse Primitieven tot en met Renoir, psychologisch te duiden. `Henry Clay Frick's selective purchases were highly psychological', schrijft ze, `both on the literal and symbolic level.'

Ze is met deze vondst buitengewoon in haar nopjes, zelfs zozeer dat we er op den duur een beetje zenuwachtig van worden. Het boek is rijk verlucht en bij haast elke reproductie staat een plaatje, liefst een familiekiekje, dat haar gelijk moet bewijzen. De achterkleindochter blijkt even obsessief als Frick zelf. Diens droom was het de steenrijke William Henry Vanderbilt in conspicious consumption naar de kroon te steken, in het bijzonder als collectioneur. Daarom werd de Europese kunstmarkt steeds fanatieker afgestroopt, vooral naar schilderijen met `healing powers'. Vermeer, Van Dyck, Turner, Veronese en Bellini: ze dienden als therapeuten van een Amerikaanse multimiljonair.

Heel veel zou het allemaal niet helpen, zo besluit de biografe. Frick bleef aan Martha lijden, ook toen hij er eindelijk in slaagde op 1 East Seventieth Street in New York een immens huis te verwerven dat als onderkomen voor de collectie moest dienen. Kosten noch moeite werden bij verbouwing en inrichting gespaard. De auteur legt uit dat deze Amerikaanse kunsttempel bovendien tal van verwijzingen naar de vrijmetselarij bevat aangezien Frick een overtuigd aanhanger van deze geheime club was. Intussen bleef hij de schrik van zijn omgeving – en bezeten door de dood. In 1915 trof hij de maatregelen voor zijn begrafenis, inclusief de aanschaf van een met koper beslagen en met zijde beklede kist van ruim 5000 dollar.

Tot aan zijn overlijden in 1919 schijnt Frick te hebben geleden onder zijn reputatie een kille geldwolf te zijn. Ter verdediging voerde hij aan dat iemand Amerika's grote industriële werk had moeten doen: `Even without us the steel industry of the country would have been just as great as it is, though men would have used other names when speaking of its leaders.'

Hij was slechts het instrument van de Vooruitgang geweest. Maar als ik had mogen kiezen, zo verklaarde hij eens, was ik liever een schilder als Rembrandt geweest. De gemankeerde kunstenaar liet testamentair vastleggen dat vijfzesde van zijn fortuin naar goede doelen moest gaan. Misschien reikte zijn schuldgevoel toch verder dan de kleine Martha.

Na zijn dood bleef hij, zo schrijft de auteur, voortleven in zijn andere dochter, Helen. Als beheerder van de collectie zou zij geheel in Fricks geest handelen. Maar ook hier is het gepsychologiseer begrijpelijk genoeg niet van de lucht. Want de verhouding tussen vader en dochter moet een merkwaardige zijn geweest. Van jongs af aan werd Helen in de kunst ingewijd; al even belangrijk was Fricks streven zijn verdriet om Martha juist met haar te delen, veel meer dan met zijn enige zoon of met zijn echtgenote. Aan een eigen leven kwam zij daardoor niet toe, zíjn trauma's werden de hare. Helens stem was doorslaggevend in de uitbreiding van de verzameling tussen 1920 en 1984 het jaar waarin ze overleed. De nieuwe aanwinsten waren dus even zovele `windows into his psychic landscape': het innerlijke landschap van Henry Clay Frick, dat vorm kreeg in de Collection en dat we voortaan, in New York, met enige huiver zullen bezoeken.

Anders gezegd, dit intieme portret zal niet naar ieders smaak zijn. Biografen-in-therapie schrijven soms pijnlijke boeken.

Marta Frick Symington Sanger: Henry Clay Frick. An intimate portrait.

Abbeville Press, 599 blz. ƒ115,-