Bergson 1

Arnold Heumakers schreef over L'évolution créatrice (Boeken, 16.4.99). Een aanvulling is op haar plaats. Het gaat met name om de zin `wetenschap heeft daarom altijd een praktisch nut voor ogen'. Dat is niet precies wat Bergson bedoelde. Hij meende dat, zelfs als wetenschappelijk onderzoek heel iets anders beoogde – geen praktisch nut maar onbaatzuchtige ontsluiering van de geheimen van de natuur – toch zou blijken dat de wetenschap die de mens produceert, steeds weer toepasbaar is en dat werkelijk fundamentele wetenschap tot de onmogelijkheden behoort. Nee, dacht men. De identiteit van materie en energie in Einsteins relativiteitstheorie is juist fundamenteel. Einstein heeft in eerste instantie geen toepassing voor ogen gehad. Inmiddels weten we dat de theorie wel degelijk wordt toegepast (het begon met het Amerikaanse onderzoek naar een atoombom, die Einstein nog wel maar Bergson niet meer heeft meegemaakt). De conclusie luidt dus dat iets fundamenteel kan lijken als de toepassing maar lang genoeg op zich laat wachten. Ook een ander beeld dat Bergson van de wetenschap gaf, heeft nog altijd geldigheid. Hij introduceerde het begrip `cinematografische' wetenschap. Hij betoogde dat de biologie weliswaar de levensverschijnselen in tal van aspecten ontleedt, die als het ware de losse beelden van een film zijn, maar dat het leven zelf met zo'n strikt intellectuele benadering niet minder raadselachtig wordt. De beelden worden niet tot een gezamenlijk levend geheel. Ook hiervoor bestaat een fraai voorbeeld dat Bergson zelf niet meer heeft meegemaakt, namelijk de ontdekking door Watson en Crick – wellicht is ontrafeling een beter woord – van de drager van het programma van onze erfelijke eigenschappen: het DNA.