`Alles interesseert op reyze'

In de tweede helft van de achttiende eeuw was de wijn die in Parijs werd geschonken, doorgaans niet te drinken. Malta werd bestuurd door een geestelijke orde voor wie het huwelijk verboden was, hetgeen leidde tot losbandigheid onder de hele bevolking; en Mytilene, het Griekse eiland dat in reisgidsen werd beschreven als een paradijs voor de jacht, hoefde je met dat doel niet aan te doen. Meer dan wat tortelduiven en een enkele patrijs viel er niet te verschalken.

Het zijn slechts enkele van de vele wetenswaardigheden in het reisverslag van Joost Frederik Tor uit 1785. Tor was de secretaris van de politicus en diplomaat Baron Frederik Gijsbert van Dedem, heer van de Gelder, Hachmeule en Krijtenberg. Van Dedem, tijdgenoot van de Zwolse cultuurpaus Rhijnvis Feith en vooraanstaand lid van de kring van Overijsselse patriotten rond Joan Derk van der Capellen, was in 1784 benoemd tot ambassadeur in Constantinopel, de hoofdstad van het Osmaanse Rijk. In 1785 vergezelde Tor Van Dedem bij zijn tocht van Overijssel naar Constantinopel en maakte, in opdracht van de ambassadeur, een verslag van de reis. Ook van Dedems kinderen `hadden dagelyks hunnen bezigheden om de voornaamste hunner jonge denkbeelden op 't papier te brengen', schrijft Tor. De manuscripten van de secretaris bevinden zich in het Algemeen Rijksarchief in Den Haag en zijn nu voor het eerst uitgegeven en van een inleiding en noten voorzien.

Sinds het begin van de zeventiende eeuw onderhield de Republiek der Verenigde Nederlanden vriendschappelijke betrekkingen met het Turkse Rijk. Nederlanders mochten er vrij reizen en handel drijven en in Istanbul, Izmir en Ankara waren Nederlandse kolonies ontstaan, waar kooplieden Nederlands textiel verhandelden tegen angorawol en katoen. De ambassadeur van de Republiek, in Constantinopel, diende dan ook vooral de belangen van de Nederlandse handel in de Levant. Een van de opdrachten die Van Dedem van de Staten-Generaal had meegekregen, was om bij de Sultan het recht op vrije vaart in de Dardanellen en de Zwarte Zee af te dwingen – wat hem overigens niet lukte. Verder zou Van Dedem zich bezighouden met de verkoop van protectie-documenten aan onderdanen van mogendheden die geen diplomatieke vertegenwoordiging hadden. Van de Staten-Generaal kreeg de Baron allerlei informatie die hem tijdens zijn ambtsperiode van pas zou kunnen komen. Over het karakter van de Turken las hij dat ze `serieus, trots en soms wraakzuchtig' waren, `maar gemakkelijk in te palmen met cadeaus'. Voor hij vertrok verscheepte de nieuwe ambassadeur dan ook veertien kisten met goud- en zilverbrokaat, kristallen glazen en kroonluchters, horlogekettingen, gember en geconfijte noten naar zijn standplaats, als geschenken voor de sultan en diens groot-vizier.

Op 12 april 1785 vertrok Van Dedem uit Wijhe, Overijssel, met twee koetsen en dertien paarden voor een reis die ruim vier maanden zou duren. Twaalf personen reisden met hem mee, onder wie zijn vrouw, zijn twee kinderen, zijn secretaris, een schare aan bedienden en veel bagage (waaronder negen jachthonden). Van Wijhe tot Lyon reisde het gezelschap per koets, vanaf Lyon lieten ze zich op schepen de Rhône afzakken en vandaar zeilden zij met een Nederlands oorlogsschip naar Constantinopel.

Ook twee eeuwen nadien is het nog een genot om het dagboek van Tor te lezen. Hij beschikte over een vlotte pen, een groot gevoel voor humor en een nieuwsgierige geest: `alles interesseert op reyze wanneer men een weynig gevoelig aan vreemde voorwerpen is'. Natuurlijk moet je even wennen aan het taalgebruik en de spelling, maar wie dat overwint raakt al snel geboeid door de rake observaties van de secretaris, die als laat-achttiende-eeuws toerist door Europa reisde en zo een waardevolle bijdrage leverde aan de cultuurhistorische en sociale geschiedenis van Europa.

Zelden geeft Tor commentaar op politieke ontwikkelingen uit zijn tijd, zoals de recente beëindiging van de Vierde Engelse Oorlog of de oplopende spanningen met Frankrijk. Wel windt hij zich op over sociale misstanden die hij tegenkomt, zoals het hongerloon van twee stuivers dat vrouwen verdienden voor achttien uur werken in de stoffenfabriek in Lyon of de `onverdraaglyke stank' in de nachtvertrekken van zeventig negerslaven in een weverij op Malta.

Tor weidt graag uit over de mensen die hij onderweg ontmoet. Al op de eerste dag, nog voor Arnhem bereikt is, vermeldt hij `het zukkelagtig ryden der voerlieden' wier `onhebbelykheyd het grootste verdriet der reizigers in 't algemeen is'. De dag erop doet er zich een `klugtig voorval' voor in Tilburg, waar `wij 't vreemdste staaltie der inhaligheyd eener hospita ontmoetten, die er misschien exteert.' Voor het uitlenen van eetgerei – in die tijd gebruikelijk bij reizende gezelschappen die zelf etensvoorraden met zich meevoerden – vroeg de herbergierster een dermate hoge prijs `dat ik voor my de grootste moeyte van de waereld had, om het niet uit te schateren.' De hebzucht van herbergiers en andere dienstverleners is een terugkerend thema in het dagboek, net als overigens de onbeschoftheid van `tolbediendens en hunne questien', aan wie bij het passeren van de Franse grenzen `drinkpenningen' in de hand werden gestopt. Onderweg naar Parijs bleek een heel dorp `zo beestagtig vol' (drank), dat niemand voor verse paarden kon zorgen.

Ruim een maand verbleef Van Dedem met zijn gevolg in Parijs, langer dan voorzien vanwege `eene heevige uitslag' die de ambassadeursvrouw kwelde. De anderen namen de gelegenheid te baat om zoveel mogelijk van Parijs te zien. Tor schrijft lyrisch over het Palais Royal (`een magnifieq gebouw'), de Tuileriën (`eertijds steenbakkeryen') en de Elizesche velden (`een ruym vlak veld waar des zondags een groot gedeelte van 't gemeen van Parys zig komt vermaaken'). Hij genoot van de opera, bracht genoeglijke avondjes door met vertegenwoordigers van de Republiek en assisteerde Van Dedem met de aanschaf van `zilverwerk en porceleyn'. Samen bewonderden zij niet alleen de monumenten, maar bezochten zij ook de `fondatie Enfants Trouvés', waar kinderen van onbemiddelde familie een opleiding kregen, de `porceleynfabriek', de koninklijke bibliotheek en een instituut `voor stommen en doven'. Voor wie het Parijs van nu enigszins kent, is Tors beschrijving meer dan kostelijk. Slechts op één punt geeft hij de voorkeur aan Londen. In die stad heeft men voor voetgangers verharde wegen aangelegd, waar geen rijtuigen mogen rijden, terwijl `de Fransche natie, op het uiterlyk zeer gestelt zynde, chapeau bas, gepoeyert en gekrult, met witte zyde kousen op de teenen moet loopen' door `de magtige drek en morssigheyd' van Parijs.

Op 12 juni ging het gezelschap in Marseille scheep op het oorlogsschip Noord Holland, onder bevel van Capiteyn Reyneveld. Tors verslag van de zeereis via de Middellandse Zee, de Cycladen en de Egeïsche Zee is wat minder enthousiast. Zeeziekte, verveling, windstilte en onenigheid tussen Van Dedem en de kapitein drukten de stemming tijdens dit deel van de reis. Op 17 augustus 1785 maakt Tor dan ook met opluchting melding van `d'aangename tyding dat men de toppen der minarets te Constantinopel onderscheyden konde'. Hij schuift aan bij een `ordentelyk soupé' en beëindigt zijn dagboek. Helaas. Je zou graag lezen hoe het hem daar verder is vergaan.

Per koets naar Constantinopel. De Gezantschapsreis van Baron van Dedem van de Gelder naar Istanbul in 1785. Bezorgd door Jan Schmidt.

Walburg Pers, 206 blz. ƒ49,50