`Voor Albanezen staat de deur altijd open'

Tachtigduizend van de 140.000 Kosovaren die tot nu toe naar Macedonië zijn gevlucht, zijn daar ondergebracht bij particulieren, leden van de Albanese minderheid in Macedonië: tien, twintig, dertig gasten uit Kosovo per gezin.

Een tijdbom? Zo heeft Lirie Mehmeti (53) de situatie bij haar thuis en bij duizenden andere Albanese families in Macedonië nog niet bekeken. ,,Wij zijn de Macedoniërs niet tot last, we doen niemand kwaad, vragen geen geld, krijgen eten en kleding van kerkelijke hulporganisaties, voornamelijk protestantse.''

De driekamerflat van Lirie Mehmeti en haar man Amir (65) op de vierde verdieping aan de Nikola Petrov in Butel, een wijk van de Macedonische hoofdstad Skopje, wordt sinds de eerste week van april bewoond door twintig personen. Tien volwassenen en even veel kinderen, het jongste is amper een jaar. Voor dit gesprek hebben twaalf van hen zich verzameld in de woonkamer die amper 4,5 bij 4,5 meet. De aangrenzende keuken is ongeveer half zo groot. De meeste gezinnen in de smalle, rommelige straat leven sinds een week of vier onder dezelfde omstandigheden. Het stadsdeel Butel is voor tachtig procent Albanees en allemaal hebben ze zonder enige aarzeling vluchtelingen uit Kosovo opgenomen. Lirie, vrijwilligster bij het Rode Kruis in Skopje, kent families die twintig of dertig mensen onderdak bieden. ,,Hun huis is soms nog kleiner dan het onze, maar dit heeft alles te maken met een oude traditie. Of je iemand nu kent of niet, voor Albanezen staat de deur altijd open.'' Geen van de vijftien logé`s is familie van het echtpaar Mehmeti, ze kenden elkaar van jaren terug en hadden zo nu en dan contact.

Het is juist deze opvang bij particulieren die de Macedonische overheid de grootste zorgen baart. Het wankele evenwicht tussen Macedoniërs, Albanezen en het kleinere Servische bevolkingsdeel zou hierdoor in gevaar kunnen komen. Volgens een ruwe schatting van onder meer de vluchtelingenorganisatie UNHCR zijn sinds begin van deze maand al 80.000 vluchtelingen op deze wijze bij particulieren ondergebracht. De door de UNHCR met hulp van de NAVO ingerichte kampen, vrijwel allemaal in de grensstreek, bleken volstrekt niet berekend op het enorme aantal dat zich vanaf eind maart gedwongen meldde bij de Macedonische grensplaats Blace. Een groot deel van hen was in treinen afgevoerd uit Priština, de hoofdstad van Kosovo. De regering in Skopje vindt dat de Europese Unie snel moet besluiten om veel meer vluchtelingen op te nemen, voor de spanningen te hoog oplopen.

De gasten van de familie Mehmeti zijn het daar roerend mee eens: ,,Als we morgen naar Holland kunnen dan gaan we.'' Ze vinden het niet juist dat alleen onder de gezinnen in de officiële opvangkampen wordt geselecteerd voor opvang in EU-landen. ,,De mensen die hier wonen hebben zich allemaal laten registreren bij de politie, het moet dus niet zo moeilijk zijn voor de vluchtelingenwerkers om hen ook te vinden'', zegt Lirie Mehmeti.

Een tijdbom, dat is volgens haar een verkeerd beeld. ,,Het valt wel mee, het zou misschien anders worden wanneer mijn gasten financieel een beroep gaan doen op de Macedonische overheid, maar dat zijn ze niet van plan. Natuurlijk weten we hoe Macedoniërs over Albanezen denken en we zijn ons er goed van bewust dat dit een arm land is dat eigenlijk niet zoveel mensen op kan nemen.''

Over het alledaagse leven met zovelen in de kleine flat, spreekt ze voorzichtig. Gemakkelijk is het niet, regelmatig doet ze een beroep op vrienden om haar eigen kinderen daar te laten slapen, zodat er iets meer ruimte is voor de volwassenen. Twee van haar kinderen studeerden, maar hebben die studie (de zoon viool, de dochter rechten) door de oorlog in Kosovo onderbroken en kwamen weer naar huis. Toch denkt Lirie Mehmeti het nog wel twee maanden vol te houden: ,,Iedereen weet waar hij of zij hoort, daar hoeven we geen afspraken over te maken.''

Inmiddels wordt een erbarmelijk huilende peuter afwisselend door de ene en de andere volwassene getroost. Zonder veel effect. Uran Bajrami (40) zit op het vloerkleed met groene motieven en steunt met zijn ellebogen op de lage salontafel. Hij verliet Priština met vrouw en drie kinderen in de laatste week van maart. Bajrami noemt de reden voor zijn vertrek: ,,Ik heb als chauffeur-bewaker gewerkt voor de OVSE. Toen die zich uit Kosovo terugtrok, werd al gauw duidelijk dat de Servische troepen, maar vooral de para-militaire eenheden, het hadden gemunt op de vroegere medewerkers van internationale organisaties en op intellectuelen.''

Op een dag in de laatste week van maart stonden drie gemaskerde mannen bij hem voor de deur. Bajrami: ,,Mijn Servische buurman stond er ook bij, die had ons aangegeven.'' Ze moesten de stad verlaten, het huis werd vernield en in brand gestoken. Hij en zijn zoon reden met de auto richting Macedonië, zijn vrouw en de twee andere kinderen volgden in de auto van vrienden. Enkele kilometers voor de grens lieten ze de auto staan, de hoge `invoerkosten' konden ze niet betalen. Lopend bereikten ze de grens bij Blace, enkele dagen voor de massale uittocht begon en het modderkamp bij de grenspost ontstond. ,,Mijn kinderen zijn getraumatiseerd zeggen de artsen, maar ik zou niet weten wat ik daar aan kan doen'', zegt Bajrami, wanhopig om zich heen kijkend. Zonder veel problemen kwamen de twee gezinnen Macedonië binnen, waar ze direct contact zochten met de Mehmeti's, die hen op de laatste dag van maart gastvrijheid boden.

Voor Fatmir Puka en zijn vrouw verliep de vlucht dramatischer. Op die 31ste maart braken paramilitairen de deur open bij Puka, die tot vorig jaar als technicus werkte bij de televisie, tot de Albanezen eruit gegooid werden. De bende eiste geld en andere zaken van waarde en gaven het gezin een kwartier om naar het station te lopen. Puka's vrouw moest haar ringen afgeven, alleen dan mocht ze wat brood en water meenemen voor de twee kinderen. ,,Priština was een spookstad, nergens zag je mannen, de winkels waren vernield, op alle kruispunten stonden tanks, para's scheurden in jeeps door de straten met de geweren in de aanslag'', vertelt Puka.

In een overvolle trein werden ze naar het kamp in het niemandsland bij Blace gereden. Ruim 24 uur hebben ze daar gestaan, in de regen, wachten tot de bussen kwamen die hen naar de inderhaast opgetrokken kampen zouden brengen. In de nachtelijke evacuatie werden de gezinnen uit elkaar gerukt, Puka's vrouw kwam met de kinderen in Tetovo terecht, hij belandde in Brazda. Gelukkig hadden beiden naam en adres van de familie Mehmeti op een papiertje. Daar zagen ze elkaar terug. Het leven met zoveel mensen op zo weinig vierkante meters wordt Puka regelmatig te veel. ,,Ik ben elke dag met de kinderen in het park, dat is nu mijn werk.''

De flat aan de Nikola Petrov staat blauw van de rook, op het tafeltje liggen halflege pakjes van verschillende merken. ,,De enige complicatie is eigenlijk dat we rekening moeten houden met de slechte gezondheid van mijn man'', zegt Lirie Mehmeti. De 65-jarige oud-rechter verwijst naar zijn eigen gevangenschap. Vijf jaar zat hij onder Tito in de cel, wegens, zoals hij zegt, zijn ideeën voor meer onafhankelijkheid. ,,Mijn vader heeft er zelfs acht jaar voor vast gezeten. Wij Albanezen hebben altijd onder een juk geleefd, maar nu zijn ze over een grens gegaan. Leven met Serviërs is voor ons niet meer mogelijk.'' Amir Mehmeti staat zwaar ademend op, zet een petje op met het embleem van het UÇK, het Kosovo Bevrijdingsleger, en maakt een gek sprongetje. Zijn vrouw grist het snel van zijn hoofd. Hun gasten gaan deze avond op bezoek bij een familie in de straat die ook vluchtelingen in huis heeft genomen. Samen kijken naar de televisie: ,,Dan tellen we hoeveel Albanezen er nu weer zijn gedood.''