Tuincultuur bij Van Gogh en in de Margriet

De samenstellers van de expositie Aardse Paradijzen II, in de Vleeshal in Haarlem, hebben zich weinig beperkingen opgelegd bij de invulling van hun thema: de tuin in de Nederlandse kunst, vanaf eind achttiende eeuw tot nu. De kunst vormt slechts een onderdeel van de tentoonstelling waarop ook de als tuinier optredende oom van Donald Duck wordt belicht.

Deze democratische opzet heeft geleid tot een heterogene presentatie. Schilderijen, tekeningen en ruimtelijke installaties van uiteenlopende kunstenaars als Tischbein, Pyke Koch, Corneille en Fortuyn/O'Brien worden afgewisseld met kinderboekillustraties van Rie Cramer, met een schoolplaat, een cartoon, tuinontwerpen en -afbeeldingen, tuintijdschriftomslagen, tuinboeken of een aan tuinen gewijd nummer van het damesweekblad Margriet.

Onder het opgediepte illustratiemateriaal bevindt zich ook een aantal foto's. Een portret van Jacob Olie van een negentiende-eeuwse familie tegen de achtergrond van een geschilderd tuindecor bijvoorbeeld. Er zijn foto's te zien van moeders met kinderwagens in het Vondelpark, van kinderen met een slee in het Amsterdamse Bos, van veldjes met klaprozen en van de tuin die Roel van Duyn monteerde op de imperiaal van een auto in het kader van zijn utopische project `Amsterdam-kabouterstad'.

Een lijn valt er niet te ontdekken in deze tentoonstelling. Er zijn vele lijnen. De relatie tussen het veelsoortige materiaal en het onderwerp wordt dan ook omstandig uitgelegd in onderschriften waarin een historisch, architectonisch, maatschappelijk of kunstzinnig aspect van het verschijnsel tuin wordt aangestipt. Het manco van Aardse Paradijzen II, georganiseerd door het Haarlemse Frans Halsmuseum, is het teveel aan invalshoeken. Door de bomen zie je het bos niet meer.

Gemikt is op `een breed publiek van kunst- en tuinliefhebbers' die allemaal aan hun trekken dienen te komen. Deze onmogelijke opgave wordt nog eens extra bemoeilijkt door de museale themakoorts. Het zogenaamde centrale tentoonstellingsthema is opgesplitst in vijf vage subthema's, waaronder `Leven in de tuin' en `Kleur en droom'. Daarnaast zijn er ook nog `themaroutes' in en buiten het museum uitgezet waaronder de `route Topstukken'. Voor wie er op staat om het museale thema in de openlucht te bestuderen, is een wandeltocht langs Haarlems befaamde parken en hofjes georganiseerd.

De expositie is een vervolg op Aardse Paradijzen I, uit 1996, waarin de tuinkunst van de vijftiende tot en met de achttiende eeuw aan bod kwam. Bij beide tentoonstellingen is een omvangrijke catalogus verschenen. De twee rijk geïllustreerde delen vormen een standaardwerk over niet minder dan vijf eeuwen Nederlandse tuincultuur. Rob Leopold gaat in op Geistesgeschichtliche aspecten van de tuin, Ad Zuiderent wijdt een essay aan de tuin in de Nederlandse 20ste-eeuwse literatuur en Evert van Uitert tekent voor een opstel over Van Gogh en de tuin.

De gedegen informatie van de catalogi maakt het bezoek aan de tentoonstellig overigens niet helemaal overbodig. Aardse Paradijzen II toont een aantal werken die weliswaar moes-, siertuin, park of perkje als onderwerp hebben, maar die ook als kunst te bewonderen zijn. Zo zijn er schilderijen en tekeningen van onder anderen Van Gogh, Floris Verster, Matthijs Maris en Jan Mankes. En een schilderij van Jacobus van Looy die in 1893 een met Japanse kers begroeide achtertuin in een Amsterdamse volkswijk op een doek wist om te toveren tot een paradijs van licht en kleur. Van Theo van Doesburg is er een Kleuroplossing uit 1921, voor een woningcomplex in Drachten. Het is een voorbeeld van de welhaast tyrannieke opgetogenheid van het modernisme. De hovenier die dit voorstel moest vertalen in bloemen, heesters en rechtlijnige borders is niet te benijden geweest.

Tentoonstelling: Aardse Paradijzen II, de tuin in de Nederlandse kunst 1770-2000. De Vleeshal, Haarlem. T/m 30 mei. Daarna: Rijksmuseum Twenthe, Enschede 19 juni t/m 29 augustus. Prijs catalogus ƒ 55,-. In het kader van de expositie worden lezingen, cursussen en wandelingen georganiseerd.