Trou moet blijcken

De hand van de dichter

Glazen grijpen en legen;

veel jagen en reizen;

vrouwen omhelzen en strelen;

strijden op felle paarden

en blinkende wateren splijten;

spelen met licht en donker;

de dag en de nacht doorrijden

onder fluweel en schaduw en

flonkrende sterrebeelden.

het staat niet in mijn hand gegrift;

en een hand is een leven, een lot;

ik lees slechts in fijn scherp schrift

– en dit geldt voor vroeger en later –

weinig liefde en wijn, veel water,

soms een racket, een zweep, maar

stellig nimmer een zwaard.

zo is mij enkel bewaard

langzaam maar vast te verwijven

in nijver monnikenwerk:

bidden en verzen schrijven

geel op geel perkament,

en mijn hand alleen te verstrengelen

met mijn eigen andere hand

en in een cel te versterven

oud op een houten bank.

H. Marsman (1899-1940)

Remco Campert citeerde deze week in de krant een paar regels uit Tempel en kruis van Marsman. Regels over het schrijverschap. Iemand zit in een kale monnikencel, een ijl vertrek –

door niets gevlekt dan door

't verweerd papier,

het palimpsest van het gemene leven,

dat hij ontraadslen moet en lezen als

gedicht;

een stilte, vol van de insectenplaag

van zijn gedachten –

een stilte vol gezoem dus. Hinderlijk gezoem. Enkele regels verder al zit de `hij' reddeloos tussen de opklotsende golven. 't Is een fragment dat verwantschap toont met dit gedicht. Ook hier de cel, ook hier het verzen schrijven –

geel op geel perkament

– dat komt dicht bij een palimpsest. Ook hier het eenzame gevecht met de wereld. De hand van de dichter lijkt – het ene gedicht roept het andere op een antwoord op de befaamde beginregels van De grijsaard en de jongeling, een gedicht van Marsman uit dezelfde periode –

Groots en meeslepend wil ik leven!

hoort ge dat, vader, moeder, wereld, knekelhuis!

Het is de jongeling die dit roept. De grijsaard antwoordt hem dan dat hij aan het hameren van zijn eigen hart genoeg moet hebben en dat reizen, liefde, oorlogvoeren – alles wat met gezelschap te maken heeft – vergeefs zijn en hem maar van de essentie afhouden. Waarna de jongeling, zonder een moment na te denken, de wijde wereld instapt. Uiteraard. De wereld van reizen, liefde, oorlogvoeren.

In De hand van de dichter lijkt dezelfde grijsaard aan het woord. Hij is niet langer in gesprek met een jongeling. Omdat de grijsaard een dichter is, omdat beide gedichten nagenoeg naast elkaar voorkomen, en omdat in de eerste strofe

Glazen grijpen en legen;

veel jagen en reizen;

vrouwen omhelzen en strelen;

strijden op felle paarden

en blinkende wateren splijten

onmiskenbaar een parafrase wordt gegeven van het Groots en meeslepend wil ik leven! van de jongeling, lijkt het me niet gewaagd te veronderstellen dat Marsman hier een polemiek met zichzelf voert. Hij zwalkt heen en weer tussen het standpunt van de jongeling en de grijsaard – tussen het volle leven en de eisen van een zuiver kunstenaarschap. Dat schommelen tussen opstand en berusting komt in allerlei vormen in Marsmans gedichten voor, dat verlangen naar de dood

in de nooit aflatende angst

dat de dood het einde niet is

– Verzet, Berusting, het zijn woorden die tot titels van zijn gedichten worden. Wat wil je nu? ben je soms geneigd te vragen, als weer eens een standpunt op een tegenstandpunt volgt. Marsman is een dichter die worstelt en die niet tevreden is over z'n worstelen. De synthese blijft uit.

De eerste strofe geeft een fraai beeld van wat iemand zich voorstelde bij groots en meeslepend leven. Het ideaalbeeld van de dichter lijkt intussen veranderd. Glazen grijpen en legen, er staat me iets van bij, maar ik zie J. Bernlef nog geen blinkende wateren splijten. Noch, wat dat betreft, me zelf.

De dichtersmuts van fluweel en flonkerende sterrenbeelden werd voorgoed afgezet. Maar 't zijn regels met een mooie cadans gebleven – alsof elke regel iets afgeronds heeft, echt op z'n Marsmans, bijna of hij z'n regels per stuk wegwerpt, waarna ze keurig en als vanzelf op hun plaats terechtkomen, afgesloten door een al even staccato retorische

ingreep –

het staat niet in mijn hand gegrift;

en een hand is een leven, een lot

– om de hand draait alles in dit gedicht. De hand die glazen grijpt en leegt, die vrouwen streelt, de teugel vasthoudt en verzen schrijft, de hand van racket, zweep of zwaard, het is de hand van de voorbestemming.

De laatste strofe, waarin je eigenlijk een lofzang zou verwachten op de vrede, de creatieve zuiverheid en het `hart dat tegen eigen ribben slaat', heeft meer van een knekelhuis. De kwalificatie `verwijven' (in het andere gedicht al waarschuwde de grijsaard tegen omgang met `het gespuis van vrouwen'), uitdrukkingen als `geel op geel' en `versterven' – ze duiden niet echt op een ideale toestand. De dichter gehoorzaamt dan wel aan zijn eigen handen, maar daar houdt het mee op. De hand wordt alleen geconfronteerd met z'n spiegelbeeld. Het is doodstil in de cel, maar je hóórt de insectenplaag in de ouwe dichtershersens. Grijp, jaag, streel, zoemt het.