Sierra Leone weet zich geen raad met rebellen

Sierra Leone zoekt een uitweg uit zijn vuile oorlog. De VN pogen te bemiddelen en de rebellen willen een bestand, maar president Kabbah kan zich geen coalitie voorstellen met dit rauwe volk dat burgers handen afhakt.

De oorlog in Sierra Leone, verreweg de vuilste van Afrika, heeft deze week een merkwaardige wending genomen. Commandanten van het Revolutionaire Verenigde Front (RUF), een gewelddadig allegaartje van ontspoorde jongeren en muitende soldaten dat al acht jaar rebelleert tegen de regering in Freetown, vergaderden in een sterrenhotel in Lomé, de hoofdstad van Togo, en opperden een staakt-het-vuren. De president van Sierra Leone, die de rebellen steeds heeft weggezet als een stelletje criminelen, nodigde hen dinsdag uit mee te doen aan verkiezingen.

Het rauwe RUF wordt intussen vertroeteld door buitenlandse diplomaten. Korporaal Foday Sankoh, de in oktober ter dood veroordeelde rebellenleider, kwam tijdelijk op vrije voeten en kreeg verlof om in Togo te palaveren met zijn commandanten te velde. Die werden met toestellen van de Verenigde Naties ingevlogen uit Liberia, hun uitvalsbasis, en laten zich fêteren door de Togolese regering. President Gnassingbé Eyadema van Togo is op dit moment voorzitter van de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (ECOWAS) en fungeert als gastheer. Gisteren voerde de RUF-delegatie overleg met de speciale VN-vertegenwoordiger voor Sierra Leone, de Oegandees Francis Okelo, en gezanten van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE).

Het aanbod van Sankoh en de zijnen was slechts een intentieverklaring, want het RUF stelt voorwaarden aan een bestand: de regering in Freetown en haar West-Afrikaanse bondgenoten moeten eveneens de wapens neerleggen en er moet een commissie van toezicht komen, onder auspiciën van de VN en de OAE.

Overigens kwam niet de voltallige generale staf van de rebellen naar Lomé. Twee kopstukken ontbraken: Sam `Mosquito' Bockarie, de nummer twee van het RUF, en majoor Johnny Paul Koroma, die in mei 1997 een staatsgreep pleegde en negen maanden lang samen met het RUF regeringsgebouwen in Freetown uitwoonde, bleven achter in de bush. Dit voedde speculaties over tweedracht tussen Sankoh, die sinds 1996 gevangen zit, en de vechtersbazen die in de tussentijd de kastanjes uit het vuur hebben gehaald. Sankoh verzekerde echter dat de twee in zijn opdracht op hun post waren gebleven. Dat zou kunnen, want het RUF ligt aan het thuisfront onder vuur.

Op het slagveld lijken de krijgskansen voor de zoveelste maal te keren. Na de coup van Koroma in 1997 proefde het RUF korte tijd van de macht, maar de rebelse junta werd door geen enkel land erkend en Nigeriaanse eenheden van ECOMOG, de gewapende arm van ECOWAS, verdreven de rebellen en hun militaire bondgenoten na een bloedig offensief in februari 1998 uit Freetown. Een maand later keerde de in 1996 verkozen president, Ahmed Tejan Kabbah, terug uit ballingschap. Het RUF en Koroma's soldaten retireerden in de bush. Kabbah ontbond de resten van het leger en steunt sindsdien alleen op ECOMOG-troepen en een loyale militie van tribale jagers, de Kamajor. Dat zijn notoire krijgers die zich onkwetsbaar wanen door magische amuletten. De rebellen vielen terug op hun steunpunten in het oosten, waar diamanten worden gewonnen, en wisten zich met smokkelhandel in deze steentjes van nieuwe wapens te voorzien. In januari gingen ze opnieuw in het offensief en drongen ze door in het centrum van Freetown, dat ze grotendeels in de as legden.

ECOMOG, dat de opmars van het RUF ternauwernoood tot staan wist te brengen, werd versterkt met verse Nigeriaanse troepen en verdreef de rebellen in enkele weken opnieuw uit de hoofdstad. Tijdens zijn korte verblijf in Freetown liet het RUF de wereld zijn ware gezicht zien: 1.500 burgers - mannen, vrouwen en kinderen - kregen van de doorgaans zwaar gedrogeerde rebellen `korte mouwen' aangemeten: hun handen of hun armen werden met het kapmes geamputeerd.

Op dit moment staan de RUF-posities ten oosten van Freetown onder druk van enkele duizenden Nigerianen en Kamajor. Deze `loyalistische' coalitie bedient zich van Alpha-gevechtsvliegtuigen, tanks en magie. Ze rukt op naar Masiaka, een stadje aan de hoofdweg naar het binnenland, en stuit op fel verzet van RUF-eenheden. De laatsten zouden landmijnen hebben geplaatst rond Masiaka en langs de hoofdweg loopgraven aanleggen. Zo'n 2.000 Kamajor hebben in Freetown een spoedtraining van een maand ondergaan van ECOMOG, maar niet hun amuletten afgelegd en evenmin hun atavistische wraakoefeningen op rebellen afgezworen.

Intussen controleert en terroriseert het RUF nog steeds het noorden en oosten van Sierra Leone. De weerbarstigheid van het verzet is mede te wijten aan de verdeeldheid binnen ECOWAS. De rebellen kunnen rekenen op logistieke steun van buurland Liberia - president Charles Taylor is een oude bondgenoot van Sankoh - en RUF-strijders krijgen naar verluidt trainingen in Burkina Faso. Nigeriaanse commandanten van de ECOMOG-troepen in Sierra Leone houden er rekening mee dat de burgerregering die op 29 mei aantreedt in eigen land de kostbare bijstand wil beëindigen en pogen het RUF op de knieën krijgen. Of dat nu wel zal lukken is de vraag, maar deze druk dwingt de rebellen tot overleg.

President Kabbah heeft nog niet gereageerd op het bestandsaanbod van het RUF. Hij zegt al geruime tijd dat hij de oorlog wil beëindigen via een `dialoog' met de rebellen en stelde Sankoh in staat in Lomé met zijn commandanten te beraadslagen. De regering verklaart te willen onderhandelen, maar strategische posities te zullen heroveren tot een overeenkomst is bereikt.

Op 27 april hield Kabbah een rede ter gelegenheid van de 38ste verjaardag van 's lands onafhankelijkheid van Groot-Brittannië. Hij riep de rebellen op om het geweld af te zweren, ,,vrede te leren'' en binnen 16 maanden mee te doen aan verkiezingen. ,,Mijn boodschap aan het RUF na acht jaar van terreur is dat het, als het oprecht geïnteresseerd is in proportionele machtsdeling, zich eerst moet verzekeren van de volksgunst''.

Het RUF heeft geen programma en heeft in het verleden louter een aandeel opgeëist in de staatsmacht. Het front drijft, behalve op diamantsmokkel, ook op de aversie onder berooide jongeren tegen de zelfverrijking van de elite in de hoofdstad. Tijdens een `nationale consultatie' met maatschappelijke organisaties, vorige week, suggereerde Kabbah dat hij niet wil inschikken voor de rebellen. Hij vroeg de deelnemers: ,,Bent u bereid macht te geven aan degenen die u terroriseren? Is het uw wens dat zittende ministers plaatsmaken voor leden van het RUF?'' De vraag was kennelijk retorisch.