Op verval, drugs en werkloosheid verrees een paleisje

Terwijl de economische saneringen van Thatcher Schotland sociaal op de knieën dwongen, beleefde de kunst er een ongekende bloei. Kan de tegencultuur in Schotland ook zonder weerstand gedijen?

OP HET BALKON STAAT een dikke, donkere kabouter. In zijn knuisten is een minuscuul fotocameraatje verborgen. Af en toe flitst het in de richting van een reusachtig beeld van een man – een robot? Een god? – dat is samengesteld uit stalen platen. Bij het beeld flitst het ook. Een lasser voegt de laatste platen samen.

,,Gaat u weg!'', ontploft de kabouter. ,,Níets heb ik tegen de pers te zeggen. Kijkt u maar naar mijn werk. Daar is genoeg over te schrijven, als u ook maar een sikkepit deugt voor uw vak!'' De kabouter is de kunstenaar zelf: Eduardo Paolozzi. Geboren in 1924 in Edinburgh uit Italiaanse ouders, werkte in het naoorlogse Parijs, vestigde de popart op de Britse eilanden in de jaren vijftig en maakt sindsdien stalen beelden van mannen, robots, goden en, wat zal het wezen, groente?

Eigenlijk woont hij in Londen, maar vandaag is hij in Edinburgh thuis. The Dean Gallery, een fonkelnieuw museum in een voormalig weeshuis, is grotendeels gewijd aan het werk dat Paolozzi de Schotten heeft geschonken. Zijn beelden staan er, zoals de twee verdiepingen hoge Vulcanus waarvan hij een paar dagen voor de officiële opening foto's maakte. En zijn studio met honderden gipsmodellen en een orgie van papier is er nagebouwd, inclusief de zachte muziek op de radio.

,,Het is zó'n opwindende tijd voor de kunsten in Schotland'', giechelfluistert het museummeisje dat de rondleiding geeft. Daar heeft ze gelijk in. Om over de vloedgolf design, fotografie, moderne dans, videokunst, poëzie, jazz, pop, keramiek, beeldhouwkunst en schilderijen die door Glasgow spoelt te kunnen surfen, zijn 24 uur per dag te weinig. Edinburgh kreeg de `Dean' erbij, plus een reeks architectonische mijlpalen. Zoals het zandkleurige droomkasteel waarin het National Museum of Scotland is gevestigd, en het tenttheater waar Schotland het nieuwe millennium inluidt. In Aberdeen kun je prima terecht voor opera en kamermuziek. Zelfs in Dundee, vroeger slechts de jutehoofdstad van de wereld, is een bruisend centrum voor moderne kunst geopend.

Waar komt die culturele energie vandaan? ,,Margaret Thatcher'', was het antwoord dat je meestal kreeg, ook op andere vragen trouwens. Als Brits premier drukte ze vanaf 1979 elk onafhankelijkheidsstreven van haar noordelijkste provincie stevig de kop in, terwijl haar economische saneringen Schotland uitmergelden. Maar het zelfbewustzijn zocht andere kanalen. Zo zou Schotland zijn eigen samizdat hebben gekregen, een geruite variant op de tegencultuur waarmee Russische dissidenten onder het communisme geestelijk overleefden.

In 1993 verscheen Irvine Welsh' Trainspotting, een roman over vier Schotse junkies die monumentaal hun tijd verspillen en die nu geldt als een van de belangrijkste naoorlogse Britse boeken. Na een paar afgebroken startpogingen won James Kelman in 1994 de Booker-prijs met How late it was, how late. Zijn verhalen zijn geschreven in krom, plat en rauw Glaswegian, waarvan het Engelse establishment eerst blauwe schenen kreeg. Het zijn twee voorbeelden van wat de `Schotse renaissance' heet. Op het verval, de drugs, de criminaliteit, de uitzichtloze werkloosheid en de eigen taal die daarbij hoort, bouwden de Schotten in de jaren tachtig en negentig een artistiek paleisje.

Maar de `onderdrukking' is nu toch echt voorbij. Het festival van Edinburgh trekt elke zomer een half miljoen bezoekers. En wie een weekeinde cultureel gaat cityhoppen in Glasgow wordt niet langer voor gek versleten. Is de artistieke tegencultuur – jong, nijdig, onafhankelijk – haar potgrond kwijt?

De tekenen zijn er. Een beetje Schotse auteur heeft tegenwoordig een Londense agent. De internationale Paolozzi is opeens een ere-Schot. En Ewan McGregor, de held van Trainspotting, is naar Hollywood.

,,Er heerst hier nog steeds veel optimisme en levendigheid'', zegt Mark Jones op het winderige dak van het National Museum of Scotland, waarvan hij directeur is. Hij wijst over de stad. Dáár komt het nieuwe Schotse parlementsgebouw, ontworpen door een Catalaan. Dáár staat het monument voor admiraal Nelson, uit een tijd dat het ook goed ging met de kunsten. Is dit een Schotse revival? Gaat het om de inhoud of de verandering zelf? ,,Soms denk ik dat Edinburgh Londen met een whiskysmaak is.''

Zijn museum toont de geologische geschiedenis van Schotland, zwaarden, zilveren sieraden van de eerste bewoners, de stoommachines van de voorlaatste en alles er tussen in. ,,Zeker, deze collectie viert de Scottishness'', zegt Jones, een in Eton en Oxford opgeleide model-Engelsman, maar hij geeft toe dat er weinig verschil is tussen een Engelse en een Schotse stoommachine.

Op de bovenste verdieping komt de twintigste eeuw aan bod. Bekende en gewone Schotten mochten een voorwerp kiezen dat hun leven heeft veranderd. Zo koos Alex Salmond, clanleider van de nationalisten, een poster van de film Braveheart. En zijn mentor, 007-acteur Sean Connery, koos een middeleeuwse onafhankelijkheidsverklaring.

De Fender Stratocaster-gitaar van Tony Blair was al een aardiger keuze. Maar de gewone Schotten kozen het interessantst. Zoals: een bus afwasmiddel, condooms, wegwerpluiers, klitteband, een geldautomaat en een paar schoenen. ,,Misschien had een groep Milanezen wel eenzelfde keuze gemaakt'', filosofeert Jones. ,,Kunnen we ons verleden wel met voorwerpen begrijpen?''

Dat is de vraag: wat er Schots is aan al die Schotse cultuur. Dat ze in Schotland gemaakt is? Door Schotten? Schotland als onderwerp heeft? Ja – ook. James Kelman denkt er graag over na. ,,Mijn perspectief is, oké, Glaswegian'', zei hij tegen een groep studenten in Kent. ,,Maar Socrates of Agamemnon horen net zo bij mijn achtergrond als de oude kerel die me in de pub op de hoek vertelt hoe zijn grootvader de Krimoorlog beleefde.''