Onze eeuw 1

De laatste week erger ik me aan de stukjes van Geert Mak, die zich in een `loodgietersbusje' door Europa begeeft en bijna dagelijks het Duitse oorlogsverleden oprakelt.

Een kleine bloemlezing: Neurenberg is `de kampioensstad van het verdringen'; in café Kröll waar twintig oudere dames - `wat waren ze enthousiast in die dagen' – koffie drinken, `zal over de oorlog nooit meer een woord gesproken worden'. In Waalkirchen, dat weigert om de verblijfskosten van voormalige `KZ-gevangenen' te betalen is de houding van gemeente `tekenend voor de omgang met al te pijnlijke herinneringen'. In Berchtesgaden, waar Mak de geschiedenis van een meisje dat Hitler bloemen gaf ophaalt, zijn het atelier van Speer en het zogenoemde Adelaarsnest nog intact, `verder wil niemand er meer van horen'.

De onderwerpen van de stukjes van Mak – en hun tendentieuze toonzetting – zouden vlak na de Tweede Wereldoorlog erg actueel en aansprekend geweest zijn. Tegenwoordig, nu we te maken hebben met een Duitsland dat er telkens opnieuw blijk van geeft rekenschap af te leggen van zijn verleden, kunnen we constateren dat Mak met zijn stukjes uit Duitsland niet verder komt dan het uit de sloot halen van oude koeien.