Onduidelijkheid rond schilderij Rembrandt in paleis van Miloševic

In hoeverre hebben de NAVO-bombardementen het cultureel erfgoed van Joegoslavië aangetast? Niemand die daar vooralsnog een duidelijk antwoord op kan geven. De meest gehate kunstcriticus van Groot-Brittannië zei vorige week in een interview met The Independent vooral zijn hart vast te houden voor de eeuwenoude kerkjes daar. Het lot van de Kosovaren trok hij zich nauwelijks aan. Er zullen toch wel mensen geboren blijven worden, aldus de mateloos cynische Sewell.

Toch blijkt uit een analyse over onder meer oude en mogelijke nieuwe doelen voor de kruisraketten, gepubliceerd in The Wall Street Journal van 27 april jongstleden, dat er behalve een taboe op burgerdoelen ook een taboe rust op het bombarderen van monumenten en al te kostbare kunstwerken. Een van die monumenten die de NAVO tot haar spijt, zo blijkt, tot nu toe met rust moest laten is het paleis Karadjordjevo van de Joegoslavische president Slobodan Miloševic. Het wordt niet alleen om zijn architectonisch belang buiten schot gehouden, maar ook omdat er op de eerste etage een Rembrandt zou hangen. Het moet gaan om het schilderij Quintus Fabius Maximus bezoekt zijn zoon in het kamp van Suessa uit 1653-1655, een verhaal uit de Romeinse geschiedenis. Dat blijkt uit navraag bij het Rembrandt Documentatie Centrum. Tot 1941 was het in bezit van de koning van Joegoslavië, Peter II, die in dat jaar, na de nazi-aanval op Joegoslavië, naar Amerika uitweek. Vermoedelijk gebruikt de NAVO-legertop verouderde naslagwerken. Want sinds 1971 komt de Quintus in de wetenschappelijke Rembrandt-literatuur niet meer voor en andere Rembrandts bevinden zich niet in Joegoslavië. De Duitse generaal Naumann, de tweede man in de NAVO-top, weet inmiddels beter. `It isn't a good Rembrandt', zo citeerde hij The Wall Street Journal. En daarmee is er dus blijkbaar een `target' bijgekomen.