Kees, Kees! riep het Oranjegepeupel

Koninginnedag is met zijn vrijmarkt, buurtfeesten en koninklijke dorpsbezoeken tegenwoordig een dag van brave vrolijkheid. Maar dat is niet altijd zo geweest. Er waren tijden dat de Oranjeverering eerder grimmig was. Zo was het dragen van een Oranjekokarde of -strik vanaf 1787 gedurende een periode van vijf jaar een bittere noodzaak om in Nederland niet op straat gelyncht te worden. Een treffende beschrijving van die Oranjeterreur is te vinden in het slothoofdstuk van het boek Reize naar Bengalen en terugreize naar Europa van Jacob Haafner (1754-1809).

Haafner, die in 1787 na een verblijf van twintig jaar in India naar Nederland terugkeerde, had tijdens zijn omzwervingen in Azië tientallen malen oog in oog met de dood gestaan. Hij dacht in alle rust van zijn kapitaaltje te genieten, maar het pakte bijna anders uit. Zo ondervond Haafner in Friesland aan den lijve wat het Oranjegepeupel vermag.

,,Voordat ik Makkum, een aardig Fries plaatsje, verliet, vond ik daar bijna op een treurige wijze het eind van mijn leven. Het was reeds winter en omdat ik op een vaart niet ver van mijn herberg veel mensen zich met schaatsrijden zag vermaken, beving mij plots de lust te gaan schaatsen.

Men leefde toen in Nederland in een tijd dat het niet dragen van een Oranjekokarde als een grote misdaad werd beschouwd. Ik had dus mijn reismuts met een kokarde van de grootste soort getooid. Onfortuinlijk genoeg vergat ik die op mijn hoed, die ik bij het schaatsen droeg, te spelden. Nauwelijks bevond ik mij op het ijs en had al een paar keer op en neer gereden, toen alle blikken zich op mij richtten. Het verbaasde mij omdat ik nog in het duister tastte omtrent de reden hiervoor. Ik hoorde het bekende Kees! [toentertijd een veelgebruikt scheldwoord] opklinken maar besefte niet dat dit op mij sloeg. Het duurde niet lang voordat ik door verschillende mensen achtervolgd werd. Ze sneden me de pas af en al snel was ik door een grote menigte omringd. Pas nu, maar veel te laat, begreep ik dat dit veroorzaakt werd door het ontbreken van mijn kokarde. Ik nam zoveel mogelijk een kalme en onbevangen houding aan. Toen een onbehouwen boer ruw vloekend vroeg waar mijn kokarde was, nam ik mijn hoed af en deed het voorkomen alsof ik verbaasd was dat die er niet op zat. Ik antwoordde hem dat ik waarschijnlijk de kokarde verloren had en dat hij slechts mee naar mijn herberg moest gaan waar ik hem mijn muts mèt kokarde zou laten zien.

Ik dacht mij op die manier uit deze netelige situatie gered te hebben, maar dat bleek een jammerlijke misrekening. De menigte bestond uit het lompste Friese gemeen, uit schippers, boeren en zulk soort, dat belust is op het plegen van geweld wanneer zij een reden denken te hebben dat straffeloos te kunnen doen. Steeds sterker zwol het Kees, Kees! aan en tegelijkertijd werd er geroepen dat ik zwaar gestraft moest worden. Tevergeefs vroeg ik enigen hun Oranjelint te geven om het in hun aanwezigheid op mijn hoed te zetten. Ook gaf ik een paar jongetjes geld om zo'n lint voor mij te gaan kopen. Ze kwamen echter niet terug en uiteindelijk stelde een soldaat voor mij een paar keer in een bijt te dompelen als straf voor mijn vermetelheid mij zonder Oranjelint onder hen te hebben gewaagd.

Het angstaanjagende voorstel werd door de hele meute toegejuicht en ondanks mijn tegengespartel, geschreeuw en gebeden begon de razende bende mij onder luid gejoel naar een bijt te slepen, toen tot mijn geluk twee deftige burgerlieden zich met veel duw- en trekwerk een weg door het gepeupel wisten te banen en mij aan de klauwen van dit grauw der aarde ontrukten. Ze besloten met mij naar de herberg te gaan om vast te stellen of ik de waarheid sprak. Vergezeld door de hele bende kwam ik daar aan. Toen ik hun mijn muts toonde met daarop het gewraakte Oranjelint begonnen ze als bezetenen met hun hoeden te zwaaien en hieven een oorverdovend geschreeuw van Oranje boven! aan. Daarop vertrok de horde.

Ik ging direct mijn beklag doen bij de burgemeester maar in plaats van mij genoegdoening te geven en de aanvoerder van deze woeste beulen te straffen, antwoordde die kinkel mij doodleuk, dat ik er veel te gemakkelijk van afgekomen was. Hij voegde er aan toe dat het een goede les voor me was.

Ik was buiten mezelf van woede denkend aan het gevaar dat ik gelopen had, na het doorstaan van zovele gevaren in verafgelegen landen, door dit gemeen voor een kleine nalatigheid om zeep te zijn gebracht in dit kleine Friese plaatsje.''