Hen of hun?

Zonder het te beseffen leunt Jean-Paul Maas (20 april) op het gezag van de schoolmeesters. In de zeventiende eeuw hebben de latijns georiënteerde Nederlandse taalgeleerden immers beslist dat onze taal zoals de klassieke talen een onderscheid moest maken tussen de naamval voor het lijdend (accusativus) en die voor het meewerkend voorwerp (dativus). Nu beschikten ze toevallig over twee verschillende niet-onderwerpsvormen van de derde persoon meervoud van het persoonlijk voornaamwoord (afgezien van het nu zeker archaïsche vrouwelijke `haar'), namelijk `hen' en `hun', min of meer afhankelijk van de regio. Ze hebben toen maar arbitrair beslist dat `hen' accusatief en `hun' datief moest zijn en sedert die tijd hebben de schoolmeesters vergeefs getracht de weerspannige jeugd dat tegennatuurlijk onderscheid op te dringen.

De Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) zegt hierover: `Bij hen en hun wordt in de geschreven taal soms een syntactisch onderscheid gemaakt, dat overigens zelden consequent wordt toegepast: hen dient gebruikt te worden als lijdend, ondervindend en oorzakelijk voorwerp en na voorzetsels, hun als meewerkend voorwerp. [...] Meestal wordt hen en hun zonder onderscheid gebruikt, met dien verstande dat hen stilistisch hoger gewaardeerd wordt. Als opschrift op een monument voor oorlogsslachtoffers is bijv. alleen denkbaar: Aan hen die vielen. In gesproken taal komt hun echter vaker voor dan hen.'