Europa jaagt Turkije in een blijvend isolement

De Turken hebben bij de verkiezingen op 18 april vooral op nationalistische partijen gestemd uit afkeer van het Westen. Froukje Santing meent dat dit komt doordat het Turkse volk zich, vooral door de EU, geschoffeerd voelt. Een herstel van de goede betrekkingen lijkt uitgesloten.

Ruim vier jaar geleden waren het de moslim-fundamentalisten in Turkije die voor de grootste verrassing zorgden bij de parlementsverkiezingen. Met ruim 20 procent van de stemmen vergaarde de religieuze Welzijnspartij de meeste kiezers achter zich.

De algemene angst was dat Turkije onder leiding van de moslim-fundamentalisten weg zou drijven van het Westen. Dat hierdoor de bodem zou worden weggeslagen onder het levenswerk van de oprichter van de Turkse republiek, Atatürk, die een seculiere, moderne samenleving voorstond. Dat schrikbeeld leefde in Turkije zelf vooral onder de vrouwen uit de midden- en de hogere klassen en binnen het leger (dat zichzelf beschouwt als de beschermer van het kemalisme, de leer van Atatürk).

Tot een breuk met het Westen is het niet gekomen in het krappe jaar dat de religeus-fundamentalistische premier Necmettin Erbakan, de eerste islamitische regeringsleider in de 70-jarige geschiedenis van het land, aan de macht was. Veel meer was sprake van een herinvulling van het buitenlandse beleid. De eenzijdige Turkse oriëntatie op het Westen verbreedde zich. Het land kreeg ook oog voor de betrekkingen met de Arabische wereld, waarmee het tot nu toe op gespannen voet had geleefd.

Ruim vier jaar later, op 18 april van dit jaar, zorgde de Turkse bevolking voor een nieuwe politieke verrassing. Het plaatste de ultra-nationalistische (ofwel fascistische) Partij van Nationale Actie (MHP) met circa 18 procent van de stemmen in het brandpunt van de macht. Het is een grandioze prestatie voor een partij die in 1995 niet in staat was gebleken om de kiesdrempel van 10 procent te halen en daardoor niet was vertegenwoordigd in het parlement. Ook de in naam sociaal-democratische, maar in werkelijkheid uiterst nationalistische premier Bülent Ecevit behaalde met zijn Democratisch Linkse Partij (DSP) nog eens ruim 20 procent van de stemmen. Hiermee werd de verkiezingsuitslag extra aangescherpt: de Turken hebben vooral nationalistisch gestemd.

Als belangrijkste reden voor de verpletterende winst van de MHP worden genoemd de corruptieschandalen bij de andere politieke partijen, de recentelijke gevangenneming van de Koerdische separatistenleider Abdullah Öcalan, evenals de groeiende anti-Koerdische stemming in het land. Allemaal ontwikkelingen die zeker van invloed zijn geweest op de verkiezingsuitslag, maar die (met uitzondering van het verblijf van Öcalan in een Turkse cel) beslist niet nieuw zijn.

Wat het nationalisme in Turkije daadwerkelijk heeft gevoed in de afgelopen jaren is dat het Turkse volk zich geschoffeerd voelt door de Westerse wereld in het algemeen en de lidstaten van de EU in het bijzonder. De uitspraken van bijvoorbeeld de Duitse oud-kanselier Helmut Kohl en de voormalige Belgische regeringsleider Martens, dat gezien de christelijke tradities en de christelijke cultuur er voor een islamitisch land als Turkije feitelijk geen plaats is in de EU, heeft veel meer kwaad bloed gezet in Turkije dan werd vermoed. Een boosheid die nog eens werd versterkt door de uitkomst van de EU-top in Luxemburg (december 1997) waar werd besloten dat Turkije niet tot de lijst van 11 landen behoort die zich aspirant-lid van de EU mogen noemen.

De internationaal bekende Turkse schrijver Orhan Pamuk spreekt van een `onbewuste kwaadaardigheid' die zich als gevolg hiervan meester heeft gemaakt van de pro-Westerse meerderheid in het land, een `met jaloezie vermengd nationalisme' als antwoord op de superieure opstelling van Europa, dat Turkije zelfs niet langer een plekje in de wachtkamer van Europa toestaat.

De seculiere meerderheid in Turkije voelt zich verraden door Europa. Betekende de associatie-overeenkomst uit 1963 met de EU immers niet dat Turkije uiteindelijk lid kon worden, en had het land binnen de NAVO Europa juist niet altijd beschermd tegen het communisme? Het is dan ook onverdraaglijk voor Turkije dat een deel van juist die voormalige Oostbloklanden wel door Brussel in de armen worden gesloten. De toenmalige premier Mesut Yilmaz verbrak als gevolg van de EU-top de politieke dialoog met de EU om het Westen duidelijk te maken dat voor Turkije de maat vol was. Het land was niet langer genegen om zich voortdurend door het Westen in de beklaagdenbank te laten zetten. Wat men ook deed, het deugde immers toch nooit omdat Turkije een islamitisch land is.

Net als onder de politieke islam, werd de oriëntatie op het Westen nu ook door de seculiere meerderheid in Turkije niet langer als het belangrijkste uitgangspunt van het buitenlands beleid aangemerkt. En de banden met de VS, die veel meer dan Europa voor een pragmatische opstelling met betrekking tot Turkije opteren, werden zelfs door een anti-imperialist als Ecevit geroemd. Europa blijft steken in details (schendingen van de mensenrechten, de gebrekkige democratie), terwijl de VS zich juist bekommeren om de grote lijnen, de geo-strategische positie van Turkije en het belang van een stabiel land in een woelige regio, zo redeneerde hij instemmend.

Binnenslands heeft de politieke breuk die Yilmaz met Brussel tot stand bracht vooral een psychologisch effect gehad: het vijzelde het zelfvertrouwen van de Turken weer enigszins op. Turkije had zich lang genoeg laten vernederen door de zogenaamde Europese bondgenoten. Het werd tijd om het gebogen hoofd op te heffen en weer trots te zijn op het feit dat men Turk was. De MHP is dan ook vooral het symbool van die nationale zelfverheffing, de zo dringende behoefte van het Turkse volk om de eigenwaarde te herstellen – men behoort immers tot een uniek volk met een grootse geschiedenis.

Het maakt het er voor Europa niet gemakkelijker op om de politieke dialoog met Ankara weer op gang te brengen. Brussel is heimelijk blijven denken dat Turkije wel weer zou bijdraaien na de boze reactie van Yilmaz. Daarvoor wilde het land immers té graag lid worden van de EU. Maar het is Brussel ontgaan dat Ankara inmiddels al een stap verder is: de oriëntatie op het Westen blijft, maar de consolidatie ervan hoeft niet noodzakelijkerwijs via het lidmaatschap van de EU gestalte te krijgen.

Turkije had zich ook al voor de parlementsverkiezingen op 18 april van Europa losgemaakt. De verkiezingsuitslag is in feite een formalisering van die ontwikkeling, een uitvloeisel van de wrange constatering dat de Turken feitelijk maar één vriend hebben: zichzelf, zoals een oud Turks gezegde luidt.

Turkije richt de blik nu vooral op zichzelf. Het is een naar binnen gekeerde samenleving geworden, wars van tolerantie en verdraagzaamheid. Dat de rest van de wereld Turkije niet begrijpt is niet (langer) hun probleem. Ze hijsen liever de nationale vlag dan zich aan zelfkritiek over te geven. Dat impliceert dat ook geen enkele opening zal worden gecreëerd om de Koerdenkwestie bespreekbaar te maken, om zo de democratie in het land te bevorderen. Integendeel zelfs. Meer nog dan in de afgelopen jaren zal het regeringsbeleid (welke coalitie uiteindelijk ook tot stand komt) zich de komende tijd richten op de ondeelbaarheid van Turkije en de gedachte dat het Westen zich slechts om de Koerden bekommert, omdat men op die manier immers dat machtige, unieke Turkije kan ondermijnen.

Het is wrang om te moeten constateren dat Europa over geen enkel middel meer beschikt om dat tij op korte termijn ook maar enigszins te doen keren.

Froukje Santing is redacteur van NRC Handelsblad.