Een beest met twee lichamen en één kop

Eerst probeerden ze Schotland met geweld op de knieën te dwingen. Daarna kochten ze de Schotse adel om. Het bondgenootschap van de Engelsen met Schotland is nooit onbekommerd geweest.

HOONGELACH VIEL de Britse premier John Major ten deel toen hij een paar jaar geleden bekendmaakte dat de Schotten hun `Steen' terugkregen. We willen een parlement en we krijgen een stukje rots, luidde kort samengevat het commentaar van een parlementslid van de Schotse Nationale Partij.

Nu ging het niet om zo maar een steen. De Stone of Scone, een kleine 200 kilo zandsteen, werd zevenhonderd jaar geleden door de Engelse koning Edward I, de `Hamer der Schotten', in Schotland gestolen en kreeg een plek onder de speciaal gebouwde houten zetel in de Westminster Abbey in Londen, waarop sindsdien alle Engelse koningen zijn gekroond. De `Steen van het Lot', zoals hij ook wel werd genoemd, was volgens de overlevering van bijbelse oorsprong en zou al voor de jaartelling zijn gebruikt voor de kroning van Ierse en later Schotse koningen.

Premier Major hoopte – in het zicht van de verkiezingen – met de teruggave van de steen een gebaar te maken naar de Schotten. De steen was in zijn ogen het bewijs dat Schotland en Engeland een werkelijk `verenigd koninkrijk' vormden.

Maar erg gelukkig was zijn redenering niet. Toonde de geschiedenis van de steen niet juist aan dat de Engelsen zich nooit iets van de Schotten hadden aangetrokken? En nog steeds niet, want Majors Conservatieven bleven halsstarrig weigeren tegemoet te komen aan de Schotse wens voor meer zelfbestuur.

De vereniging van de beide Britse koninkrijken is, wat de Schotten betreft, niet van harte gegaan. Keer op keer lieten Engelse vorsten hun oog op het noordelijke deel van het eiland vallen. Ze probeerden het hardhandig te veroveren of via slim uithuwelijken in personele unies aaneen te smeden. Maar pas de dood van de vermaarde Engelse koningin Elizabeth I in 1603 bracht de unie voor het eerst heel dichtbij.

De kinderloze Elizabeth was zo handig geweest om haar neef Jacobus VI, koning van Schotland, als opvolger aan te wijzen waardoor een Union of the Crowns ontstond: Jacobus VI van Schotland werd ook Jacobus I van Engeland, `een beest met twee lichamen en één kop', zoals hij zelf zei zich te voelen.

Hartstochtelijk probeerde hij de vereniging van de kronen om te vormen tot een werkelijke unie. Maar na eeuwen van conflicten ging dat niet gemakkelijk. Schotten en Engelsen spraken een verschillende taal, betaalden met verschillende munten, hadden een sterk van elkaar afwijkende wetgeving, en dachten heel verschillend over de organisatie van de kerk. Daar kwam bij dat Jacobus in beide landen te maken had met parlementen die niet van zins waren macht in te leveren.

De Engelsen waren rijker en voelden er weinig voor een deel van die weelde af te staan aan de noorderlingen. De Schotten aasden al langer op handel met de Engelse kolonies, maar de Engelsen wilden deze inkomstenbron voor geen goud met anderen delen. Intussen werden de Schotten wel steeds geconfronteerd met de lasten van de Engelse nabijheid. Continentale oorlogen waarin Engeland was verwikkeld, sleurden de Schotten vaak mee en kostten hun handen vol geld.

Jacobus slaagde er niet in de Schotten, die zich gesteund wisten door de lessen van de Reformatie, zijn wil op te leggen. De presbyterianen weigerden het goddelijk recht van de koning te erkennen. ,,In de kerk van Schotland is Jacobus geen koning, geen lord, geen hoofd, maar een lid'', luidde hun credo. Jacobus zag dat – waarschijnlijk terecht – als een poging om zijn gezag te ondermijnen.

Maar hij zag geen mogelijkheid ertegen op te treden. Zoon Karel I deed dat wel en kreeg toen niet alleen de Schotten op zijn dak, maar ook de Engelsen. Karel raakte verwikkeld in een oorlog die hem in 1649, letterlijk, zijn kop kostte.

Het machtsvacuüm na de onthoofding van de koning bood de aanvoerder van de Engelse troepen, Oliver Cromwell, de kans om Engeland uit te roepen tot een `Commonwealth' en zichzelf als beschermheer. Vervolgens deed Cromwell, de enige niet-koninklijke leider die de Britten ooit hebben gehad, wat Karel van plan was, maar dan hardhandiger. In 1652 versloeg hij de Schotten bij Dunbar en dwong ze hun onafhankelijkheid op te geven. Maar ook dit gemenebest stierf met Cromwell in 1658 een natuurlijke dood. Schotland en Engeland waren terug bij af. Om dat nog eens te bevestigen liet de nieuwe koning, Karel II, Cromwell opgraven en alsnog onthoofden.

Alle veranderingen werden teruggedraaid en Schotland kon nog een halve eeuw genieten van de gedachte een eigen koninkrijk te zijn. Toch kwam, onder koningin Anna, de vereniging alsnog tot stand. Anna koos voor de parlementaire weg en combineerde die vakkundig met omkoping, lucratieve baantjes en zware dreigementen. De graaf van Roxburghe werd gepromoveerd tot hertog, de hertog van Queensbury kreeg maar liefst 12.000 pond, William Seton ontving 100 pond per jaar als hij in kranten positieve artikelen over de unie zou schrijven. Wie voor de regering werkte, dreigde zijn inkomen te verliezen als hij de unie niet steunde. De methode werkte en sinds 1 mei 1707 was de Act of Union een feit.

Dat betekende niet dat het verzet van de koppige Schotten voorgoed was gebroken. Sommigen waren weliswaar zeer tevreden omdat ze goed verdienden aan het openstellen van de Engelse kolonies, maar voor de meesten leidde de invoering van nieuwe belastingen alleen maar tot een verlies van inkomen.

Belangrijker was de vrees voor de teloorgang van de Schotse identiteit. Vooral in de Hooglanden werd die vrees bewaarheid. De Highlanders hadden zich altijd anders gevoeld dan de andere Schotten, die hen beschouwden als `wilde Ieren'. In de jaren na de unie werd de cultuur van de Hooglanders systematisch vernietigd. En in 1746 werden ze in de zeer gewelddadige `Battle of Culloden' verslagen. Het clan-systeem waarin de Hooglanders al eeuwen leefden, raakte voorgoed verscheurd.

De Union Jack, de gezamenlijke Schots-Engelse vlag, gaf de verhoudingen na de eenwording onbedoeld precies weer. Het Schotse andreaskruis (wit, diagonaal kruis op een blauwe achtergrond) en het kruis van St. Joris waren er weliswaar in verenigd – later zou daar het diagonale kruis van de Ieren aan worden toegevoegd – maar niet alleen was het Engelse kruis bovenop gelegd, ook had de Engelse ontwerper de verkeerde kleur blauw gekozen.