De enquête van het volk

Slechts een week oud is het rapport van de enquêtecommissie naar de vliegramp boven de Bijlmer, maar nu al is de politieke chaos compleet. Vorige week donderdag, toen het rapport werd gepresenteerd leek het nog te gaan om die vliegramp van zeveneneenhalf jaar geleden en de afwikkeling ervan. Maar inmiddels speelt het eigenlijke onderwerp van de enquête nauwelijks meer een rol. Politici tuimelden de afgelopen dagen over elkaar heen om al dan niet anoniem mee te delen dat het rapport qua opzet niet deugt, de commissie niet deugt dan wel dat het enquête-instrument niet deugt. Kortom, Den Haag is weer eens vooral met zichzelf bezig.

Jammer voor alle mensen die op de één of andere manier waren betrokken bij de ramp en dachten dat zíj aan de beurt waren, maar het is nu even tijd voor `hogere politiek'. Waarmee deze politici nog eens hetzelfde autistische signaal afgeven als de voorbije jaren. Het gevoel niet serieus te worden genomen was één van de voornaamste klachten uit de Bijlmer. Terwijl de nabestaanden, bewoners en talloze hulpverleners met onopgehelderde vragen zaten, keken de autoriteiten steevast een andere kant op. Vandaar dat alleen al het feit dat er eindelijk een parlementaire enquête werd ingesteld op velen een therapeutische uitwerking had. De Tweede Kamer als Riagg, het is even wennen, maar als iets `tussen de oren zit' zijn de geneeswijzen nu eenmaal onuitputtelijk. Juist vanwege de emotionele aspecten had de afgelopen week een wat meer subtiele benadering vanuit de politiek voor de hand gelegen.

Niet voor niets stelt de Commissie-Meijer in haar eindrapport dat haar parlementaire enquête geen gewone enquête was, omdat deze zo nauw verbonden was met betrokkenen bij de vliegramp. Dat maakte de enquête ook zo populair bij het grote publiek. Het ging niet om, zoals bij vorige enquêtes, abstractheden als de organisatie van het sociale zekerheidsstelsel of opsporingsmethoden van politie, maar heel vaak om menselijk lijden en menselijk falen. Een voor de massa herkenbare enquête blijkt echter een voor de politiek onhanteerbare enquête te zijn. Emotionaliteit en rationaliteit botsen op elkaar. En daarmee verschilt de afhandeling van de enquête in feite niet anders dan de aanleiding. De kloof tussen de betrokkenen en de `instanties' is nog steeds even groot.

Het is het oeroude dilemma van de politicus: in hoeverre moet worden toegegeven aan de stem van het volk? Voor de leden van de enquêtecommissie lijkt dit overigens geen vraag meer. Na hun zegetocht door de Bijlmer vorige week toen ze het enquêterapport persoonlijk kwamen aanbieden is hun reputatie als darlings van de slachtoffers definitief gevestigd. Dat maakt het debat tussen de enquêtecommissie en de Tweede Kamer straks ook zo ingewikkeld. Praten ze met een commissie uit hun midden of met een vertegenwoordiging van de Bijlmer?

Het debat is trouwens toch al aan alle kanten belast. Het Kamerlid dat de bevindingen van de commissie straks in perspectief wil plaatsen zal moeten opboksen tegen de publieke opinie die zich een mening heeft gevormd op basis van de openbare getuigenverhoren. Die waren vaak spectaculair – zelfs minister-president Kok liet zich erdoor van de wijs brengen – maar minder spectaculair voor degenen die het hele verhaal kenden.

Tijdens de openbare verhoren komen in de regel zaken aan de orde die niet goed zijn verlopen. Die zijn vervolgens beeldbepalend. Maar zo'n verhoor is slechts een bouwsteen voor een veel groter werk waarvan alleen de commissie de bouwtekening kent. Van veel van de `grote' onthullingen is in de eindrapportage van de commissie nog maar weinig terug te vinden. Maar bij het publiek vormen de verhoren en de daarbij behorende krantenkoppen en televisiecommentaren het referentiekader.

VVD-fractievoorzitter Dijkstal heeft dus wel een punt als hij vraagtekens zet bij dit onbedoelde gevolg van een parlementaire enquête. Maar of een commissie van staatsrechtgeleerden, zoals hij voorstelt nu weer voor de oplossing moet zorgen? De oplossing is heel simpel: wie wil voorkomen dat er `indianenverhalen' ontstaan schaft parlementaire enquêtes af en kiest voor onderzoeken met besloten verhoren, met alleen de afgewogen conclusies in de openbaarheid. Alleen is dan wel de vraag wie er waakt over de kwaliteit van de verhoren. Als de jongste parlementaire enquête één ding heeft duidelijk gemaakt is het dat er op al die eerdere – veelal besloten – onderzoeken naar de Bijlmerramp het nodige viel aan te merken.

Democratie is niet voor bange mensen, zei premier Lubbers ooit. Een democratie moet ook niet bang zijn voor onderzoek naar het eigen functioneren ook al kan dat onderzoek als zodanig een eigen dynamiek oproepen. Daarbij komt dat in het geval van de Bijlmerenquête het beeld van de openbare verhoren waar het het functioneren van de overheid betrof, nauwelijks vertekend is geweest. Uit die verhoren kwamen verantwoordelijkheden afschuivende politici naar voren, die stelselmatig signalen uit de samenleving hebben genegeerd. Dat beeld is in het eindrapport van de enquêtecommissie rechtovereind gebleven. Het raakt het functioneren van het staatsbestel in het hart. Ministers zijn geen politici, maar departementshoofden bij wie het mijden van elk riscio het leidend beginsel is.

Op dit punt verschillen de conclusies van de Bijlmerenquête nauwelijks van alle vorige enquêtes. Alleen toen ging het veelal om abstractheden, terwijl het nu om mensen gaat. De Bijlmerenquête is de enquête van het volk. Niets maakt politici zo nerveus als het volk onder ogen komen. Dat is de afgelopen dagen wel gebleken.