Clusterdromen

Eén van de mooiste herinneringen uit mijn onderzoeksloopbaan bewaar ik aan toen we bijna tien jaar geleden bij onze opdrachtgevers de eerste resultaten presenteerden over de `economische kracht van Nederland'. Mijn toenmalige `hoofddirecteur', de nog steeds zeer actieve Walter Zegveld, had in de Verenigde Staten het manuscript op de kop weten te tikken van The Competitive Advantage of Nations van Michael Porter. In dat fameuze boek poneerde deze Harvard-hoogleraar de stelling dat ondernemingen niet alleen afzonderlijk met elkaar concurreren, maar niet zelden ook als onderdeel van een gespecialiseerd productiemilieu. In het verlengde van de ouwe Ricardo verdedigde Porter dan ook dat landen zich beter kunnen blijven toeleggen op waar ze ontzettend goed in zijn, dan als zoveelste concurrent dezelfde high tech-dromen na te jagen. Porter presenteerde ook een vrij eenvoudige rekenmethode waarmee je die mogelijk geclusterde sectorspecialisaties in kaart kon brengen. Het eerste wat je daarbij moest doen was op zo laag mogelijk aggregatieniveau het aandeel berekenen van de verschillende sectoren op hun respectieve wereldexportmarkten.

We wisten de ministeries van (toen nog) O&W en EZ te overreden ons middelen ter beschikking te stellen om die benadering op Nederland toe te passen. De resultaten waren verrassend door de mate waarin ze de exportsterkte van het Nederlandse landbouw-voedingcluster onderstreepten. Hét Nederlandse topproduct bleken de snijbloemen met een wereldexportaandeel van 63,9 pct, nummer 2 waren `vogeleieren in de schaal'. Verder volgden - met nog steeds meer dan de helft van hun wereldexportmarkt - varkens, bloembollen en levende planten, en melkroom. De plaatsen op de nummers 6 tot en met 10 (nog steeds een derde van die wereldexportmarkt) werden ingenomen door respectievelijk cacaopoeder, verse tomaten, gasvormige koolwaterstoffen, verse aardappelen en cacaoboter (zie Jacobs et al., De economische kracht van Nederland, 1990, SMO). Het zal u niet verbazen dat onze opdrachtgevers, die meer van computer- dan van aardappelchips droomden, niet erg amused waren. Tezelfdertijd begrijpt u dat we in de jaren daarna geregeld opdrachten van het ministerie van LNV en daarmee verbonden organisaties gekregen hebben.

Maar ook de bij het oorspronkelijke onderzoek betrokken ministeries zagen geleidelijk aan meer in de `clusterbenadering', in die mate dat we op zeker ogenblik zelfs op de rem moesten gaan staan. Het ging er immers eerder om bestaande clustersterkte te herkennen en via ondersteunende investeringen in onderzoek en onderwijs te versterken, dan totaal nieuwe clusters uit de grond proberen te stampen. Want met dat laatste beland je al snel weer bij high tech-dromen rond informatie- en communicatie- of ook biotechnologie. Met name rond Internet duikt regelmatig het `Geld geld, snel snel of we lopen hopeloos achter'-syndroom op. Terwijl Internetfondsen op de beurzen hemelhoog rijzen, kijkt men toch weer in de richting van de overheid voor de noodzakelijke investeringen! Ook het omgekeerde gevaar dreigt geregeld: dat men onder het mom van clusterbeleid weer defensief industriebeleid probeert op te tuigen. Toen Daf en Fokker in problemen kwamen, werd zelfs even gesuggereerd dat het niet om dat ene bedrijf te doen was, maar om het hele cluster er omheen.

Het opvallende aan traditionele clustersterkte is dat ze zo diep verankerd is. Onlangs hebben Jeroen Hinloopen van De Nederlandsche Bank en Charles van Marrewijk van de Erasmus Universiteit een soortgelijke oefening gemaakt als wij tien jaar geleden. Ze onderzochten de Europese export naar Japan en berekenden daarbij comparatief voordeel met behulp van de `Balassa-index' (ESB, 2-4-1999). Met die index wordt het aandeel van een product binnen de export van een land gedeeld door datzelfde aandeel bij een groep referentielanden. Als die index voor een bepaald product (ver) boven 1 uitkomt, dan is er sprake van comparatief voordeel. Omdat deze onderzoekers met Eurostatgegevens werkten, zijn hun productgroepen niet identiek aan die van de VN-handelsstatistieken die wij indertijd gebruikten.

Maar de resultaten verrassen ons alvast niet meer. Voor Nederland scoren de bloemen nog steeds het hoogst met een Balassa-index van meer dan 20 in 1997! Daarna volgen groenten, cacao, de fotografische sector, speciale garens en melkproducten. Het meest verrast hier nog de fotografische sector (al waren kopieer- en röntgenapparatuur al de hoogst scorende high tech-producten in onze top 100). En voor mensen die geloven dat we stilaan het agrarisch tijdvak achter ons laten: de tuinbouw (met name de groenteteelt) heeft in de voorbije jaren zijn positie in onze export (naar Japan) alleen maar versterkt. Maar de auteurs zijn wel zo verstandig hieraan toe te voegen dat de toelevering uit zowel de industrie als de dienstverlening aan die - inderdaad geclusterde - sterkte van de tuinbouw bijdraagt.

Ook voor andere landen blijkt het belang van traditionele specialisaties, gebaseerd op clustervorming. Terwijl de structuur van de Belgische economie in de naoorlogse periode behoorlijk gewijzigd is als gevolg van de prominente rol van multinationale ondernemingen, blijken tapijten (Balassa 12,8), speciale garens en sieraden (zeg maar diamanten) er nog steeds de sterkste exportcategorieën te zijn. Voor Italië staan zijde, wol en kleding vooraan, voor Finland papier (Balassa 27!), hout en bont.