Twijfels over Oost-Timor blijven

Een referendum lijkt de weg te openen naar duurzame vrede in Oost-Timor. Maar de strijdende partijen scherpen hun wapens.

Als het om Oost-Timor gaat, vertoont de Indonesische regering twee gezichten. Dat werd gisteren weer eens duidelijk bij de ontmoeting tussen de Indonesische president B.J. Habibie en de Australische premier John Howard op Bali. Naar de buitenwereld toe creëert Jakarta het beeld dat het de kwestie Oost-Timor snel en op een nette manier wil oplossen – door een volksraadpleging over autonomie. Ondertussen bewapent het leger pro-Indonesische milities in de omstreden provincie en laten de strijdkrachten toe dat deze milities op ruime schaal terreur uitoefenen om de bevolking ervan te weerhouden haar voorkeur voor volledige afhankelijkheid tot uitdrukking te brengen door het autonomievoorstel af te wijzen.

Symptomatisch voor deze schizofrene politiek is dat, terwijl president Habibie gisteren bekendmaakte een politiemacht van de Verenigde Naties toe te zullen laten in Oost-Timor, zijn speciale gezant voor Oost-Timor, Lopes da Cruz, in Jakarta tegenover het persbureau Reuters waarschuwde dat de pro-Jakarta milities in de voormalige Portugese kolonie deze internationale politiemacht zullen aanvallen omdat haar komst wordt gezien als een steun in de rug voor de onafhankelijkheidsbeweging. Vandaag zei Da Cruz echter weer dat `internationale aanwezigheid' de enige mogelijkheid is om bloedvergieten tegen te gaan.

Sinds het aantreden van Habibie, vorig jaar mei, hebben de onderhandelingen tussen Indonesië en Portugal onder auspiciën van de VN een nieuwe impuls gekregen. Dat mondde vorige week in New York uit in een, vooralsnog vertrouwelijk, akkoord over de wijze waarop op 8 augustus de Oost-Timorezen zich mogen uitspreken over hun toekomst. Het bezoek van de Australiërs gisteren aan Bali – behalve premier Howard namen ook de ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie deel aan de besprekingen – was vooral bedoeld de Indonesische regering te doordringen van het belang van een vreedzame, open en eerlijke volksraadpleging.

De diffuse politiek van Jakarta ten aanzien van Oost-Timor lijkt illustratief voor de twijfelachtige positie die president Habibie inneemt in de republiek: hij staat wel aan het roer, maar krachtige, onzichtbare handen sturen mee. Habibie kondigde afgelopen januari onverwachts aan dat de bevolking van Oost-Timor voor de keuze gesteld zou worden tussen een vorm van vergaande autonomie binnen het staatsverband, of, indien zij dit zou afwijzen, onafhankelijkheid per 1 januari 2000. Dat betekende een diametrale koerswijziging van het beleid dat de afgelopen 23 jaar werd gevoerd. Sinds Indonesië de door de Portugezen opgegeven kolonie in 1976 annexeerde, gold het gebiedsdeel als `27ste provincie'. De onafhankelijkheidsbeweging Fretilin op het eiland – inmiddels omgedoopt tot CNRT – werd met kracht onderdrukt. De VN hebben de annexatie, die oogluikend werd toegestaan door de Verenigde Staten, nimmer erkend. Het gevolg was dat Indonesië onder de voormalige president Soeharto internationaal voortdurend in het defensief werd gedrongen, zeker na het bloedige incident in 1991 op de begraafplaats Santa Cruz in Dili toen soldaten het vuur openden op een menigte ongewapende demonstranten.

Terwijl Soeharto altijd weigerde toe te geven aan de internationale druk, maakte zijn opvolger Habibie kort na zijn aantreden bekend ,,een zekere vorm van autonomie'' te willen verlenen aan Oost-Timor. Dat de president nu onafhankelijkheid niet uitsluit, hangt nauw samen met de ernstige economische crisis waarin het land nog altijd verkeert en de noodzaak geld los te krijgen van internationale geldschieters als het IMF.

Maar terwijl Habibie het mensenrechtenblazoen van Indonesië wil oppoetsen, spelen voor de strijdkrachten andere belangen een rol. De mogelijke onafhankelijkheid van Oost-Timor heeft de afgelopen maanden nieuw elan gegeven aan separatistische bewegingen in andere provincies, als Atjeh en Irian Jaya. De aloude angst voor desintegratie is voor de militairen een krachtige drijfveer om afscheiding van Oost-Timor tegen te gaan. Daarnaast wordt erop gewezen dat onderdelen van het leger, die grote zakelijke belangen hebben in Oost-Timor, het gebiedsdeel ook om puur financiële redenen niet willen loslaten.

Met Howard heeft Habibie nu afgesproken dat het leger de strijdende partijen zal ontwapenen en zal zorgdragen voor herstel van openbare orde en veiligheid. Bovendien wordt na de formele ondertekening van het akkoord op 5 mei een nader te bepalen aantal VN-politiemensen toegelaten tot het gebied. Jakarta onderstreept wel dat deze politiemensen slechts een adviserende rol mogen hebben. Gisteren zeiden Australische diplomaten dat ,,meer is bereikt dan werd verwacht''. De leider van de Oost-Timorese afscheidingsbeweging, `Xanana' Gusmão, is echter teleurgesteld. ,,Hoewel in het akkoord staat dat de strijdkrachten neutraal zijn, wordt de situatie alleen maar erger'', zei hij vanochtend. Ook wijst hij erop dat het akkoord aanvankelijk al 24 april getekend zou worden. ,,Deze vertraging geeft de milities de kans door te gaan met politieke mobilisatie, intimidatie, bedreigingen en terreur.''