Schrik en ironie in Dante-trilogie van Charles Wuorinen

Walter Carlos, een transseksueel die zich later Wendy noemde, maakte de Moog Synthesizer populair: van zijn Switched on Bach (1968) werden meer dan een miljoen exemplaren verkocht. Die bewerkingen maakten een tweeslachtige indruk, maar Pulitzer Prize-winnaar Charles Wuorinen realiseerde met werk als Time's Enconium (1969) zowel magistrale als oorspronkelijke Moog-muziek. Daarin is alles streng-serieel met elkaar verbonden en in zijn leerboek onder de misleidende titel Simpel Composition legt hij verantwoording af voor zijn zowel rigoureuze als originele compositietechniek.

Dinsdagavond klonk in Paradiso Wuorinens Dante-Trilogy (1993-1997) met als delen Inferno (The Mission of Virgil), Purgatorio (The Great Procession) en Paradiso (The River of Light). Wuorinen, die werkt aan een opera op tekst van Salman Rushdie, houdt van groots opgezette epische werken, zoals het oratorium The Celestial Sphere op bijbelse teksten. De Dante-Trilogy is gecomponeerd voor een sterk bezet symfonie-orkest, het Asko Ensemble bracht een bewerking voor pianoduo, een klein en een iets groter kamermuziekensemble.

Wuorinen wordt minder geboeid door het verhaal van Dante's Divina Commedia dan door woordstructuren, rijmschema's en getalsverhoudingen, die nu de seriëliteit vervangen. In de opwindende passages komt hij uit bij de hoekig-virtuoze stijl van Schönbergs Begleitmusik zu einer Lichtspielszene in een schildering van dreigend gevaar, angst en catastrofe: een zowel beweeglijke als kernachtig stugge muziek. Al werken die harde klappen aan het eind van een snel figuur danig op de zenuwen, waar de fysieke beweging regelrecht overslaat in hysterie, zoals in Purgatorio, val ik ervoor.

Het portret van Satan is voorspelbaar bij een componist van stukken als OnAlligators, Archeopteryx en Beast. Maar tot horror in de stijl van Crumb is Wuorinen niet in staat. Wanneer Satan in bestiale drievuldigheid Judas, Brutus en Cassius gelijktijdig vermaalt, blijken de polen van zijn kunst te bestaan uit Schönbergiaanse paniek en Strawinskyaanse ironie. Bij de impressionistische klankschildering in Paradiso met een krans van vonken en lichtflitsen van klokken, celesta, piano en harp, denk je meteen aan Messiaen.

Wat voor Wuorinen inneemt, is zijn enorme vitaliteit en stoerheid, wars van sentimentaliteit. De oplichtende apotheose klinkt eerder fantastisch op een schrille manier dan fraai poëtisch. Aan het Asko Ensemble en de pianisten René Eckhardt en Niek de Vente waren deze karakteristieken goed besteed, er werd virtuoos gemusiceerd met grote spankracht in een zeer directe uitdrukking. Dirigent Oliver Knussen, die de Dante-Trilogy onlangs introduceerde in New York, heeft een duidelijke band met Wuorinen, al is hij in zijn eigen composities minder ethisch, stoer en fanatiek.

Concert: Asko Ensemble o.l.v. Oliver Knussen. Gehoord 27/4 Paradiso Amsterdam. Opname VPRO voor Radio 4.