Beloning Europarlementariërs nog niet echt simpel

De EU-lidstaten zijn het eens over een nieuw beloningssysteem voor Europarlementariërs. De landen bedenken al weer eigen regeltjes om het systeem naar hun hand te zetten.

Zal volgende week een einde komen aan het jarenlange getouwtrek over de beloning van Europarlementariërs? In Brusselse burelen durft men er nog geen gif op in te nemen.

De beslissing, eergisteren van de EU-ministers van Buitenlandse Zaken om voor de 626 parlementariërs een uniform salarissysteem in te voeren, is een idee van het parlement zelf. Maar de manier waarop de ministers het hebben uitgewerkt, breekt met de charme van de eenvoud die het voorstel oorspronkelijk had. Bovendien gaan de Italiaanse, Duitse en Oostenrijkse Europarlementariërs – een niet onaanzienlijk machtsblok – er door het voorstel van de EU-ministers behoorlijk in salaris op achteruit. Ook hebben de ministers korte metten gemaakt met parlementaire plannen om bij wijze van overgangsregeling voor de zittende leden het oude, luxere systeem van onkostenvergoedingen te handhaven. Een en ander maakt de uitslag van de parlementaire stemming over het voorstel, volgende week in Straatsburg, tamelijk ongewis.

Tot nog toe bestond de merkwaardige situatie dat een Spaanse Europarlementariër minder dan een derde aan salaris ontving van dat van zijn Italiaanse collega – en dat voor het verrichten van hetzelfde werk. Dat komt, doordat de salarissen van de Europarlementariërs gekoppeld zijn aan die van die nationale parlementsleden, behalve in Nederland overigens. De grote beloningsverschillen brachten de minder bedeelden in het Europees parlement in de verleiding om via de talloze onkostenregelingen, iets van het verschil goed te maken. Het misbruik van reis- en verblijfvergoedingen, presentiegelden, en ander uitbundig declareergedrag, leidde tot de nodige negatieve publiciteit voor het parlement.

Het nu voorgestelde systeem moet daar op twee manieren een eind aan maken. Een uniform salaris voor alle 626 parlementariërs geeft wellicht minder aanleiding tot het aanboren van aanvullende financieringsbronnen. In de tweede plaats wordt het declareren gebonden aan striktere regels. Zo dienen parlementariërs voortaan bewijzen van daadwerkelijk gemaakte reis- en verblijfkosten te overleggen. Ook de luxe pensioenregelingen worden versoberd. Er worden geen beperkingen gesteld aan al dan niet bezoldigde nevenfuncties.

Europa zou echter Europa niet zijn, als de kleine verovering van Brussel op de nationale verschillen, niet tot nieuwe regelingen van de lidstaten aanleiding zou geven. Als het systeem van de EU-ministers werkelijkheid wordt en alle 626 leden 12.500 gulden bruto per maand gaan verdienen, ontstaan er fikse verschillen tussen de salarissen van bijvoorbeeld de Spaanse leden van het Europees parlement, en die van het nationale parlement in Madrid.

Vandaar dat in sommige landen, zoals in Denemarken, de afgelopen maanden een beweging op gang is gekomen, om de salarissen van de Europarlementariërs nationaal extra te kunnen belasten. Daardoor worden de ontstane verschillen weer kleiner. De voorstellen van de EU-ministers bieden ruimte voor zo'n extra belasting, iets dat het parlement eerder afwees. Bovendien zou de opbrengst in de schatkisten van de ministers van Financiën kunnen verdwijnen, maar ook in Brusselse kas worden gestort. Redelijk wellicht, maar simpel is anders.

Volgende week, zo'n vijf weken voor de Europese verkiezingen, moet het parlement in Straatsburg ja of nee zeggen; wijzigen kan niet. Een enkelvoudige meerderheid is voldoende om het voorstel van de EU-ministers om zeep te helpen, dan wel werkelijkheid te doen worden. Vrijblijvend wordt die keuze niet. Staatssecretaris Benschop (Europese Zaken) heeft al gewaarschuwd dat het parlement, gelet op alle negatieve publiciteit van de laatste tijd, eigenlijk geen nee meer kan zeggen.