Iedere kunstenaar zijn eigen zaal

Er zijn geen naambordjes, geen plinten of deurknoppen en de verwarming zit onder de vloer verborgen. In het nieuwe Museum Küppersmühle in Duisburg mag niets de aandacht afleiden van de werken van hedendaagse Duitse kunstenaars die er getoond worden.

Net als je denkt dat je verdwaald bent in het vervallen havengebied van Duisburg, dat als bouwput nauwelijks onderdoet voor Berlijn, doemt aan het eind van de kade het monumentale bakstenen gebouw van de Küppersmühle op. Duitslands jongste museum voor hedendaagse kunst is gevestigd in een voormalige meelfabriek en herbergt de collectie van Hans Grothe, een van de belangrijkste verzamelaars van Duitse moderne kunst. Van 1909 tot de jaren zeventig werd in het gebouw aan de Innenhafen het koren gemalen en opgeslagen, nu herinneren alleen nog een oud treinspoor en de metalen graansilo's aan de vroegere industriële functie.

Het contrast tussen de verloederde omgeving – in de meeste pakhuizen is geen raam meer heel – en het smetteloze interieur van het museum is groot. Grothe, zelf opgeleid als architect en rijk geworden als projectontwikkelaar en handelaar in onroerend goed, heeft de fabriek rigoreus laten verbouwen tot een hypermoderne kunsttempel. Vensters werden dichtgemetseld, vloeren en plafonds uitgebroken zodat hoge tentoonstellingszalen ontstonden en een heel nieuw trappenhuis werd tegen de façade van het gebouw geplaatst. Het ontwerp voor de renovatie maakte Grothe in samenwerking met de Baselse architecten Herzog & De Meuron, het tweetal dat ook verantwoordelijk is voor de verbouwing van een voormalige elektriciteitscentrale tot tentoonstellingsruimte voor de Tate Gallery in Londen.

Hans Grothe (Duisburg 1930) begon in de jaren zestig met het verzamelen van toen nog jonge en relatief onbekende Duitse schilders als Kiefer, Richter en Baselitz. In 1973 kocht hij de eerste solotentoonstelling van Sigmar Polke in een galerie, bestaande uit tientallen foto's en schilderijen, in één klap op. Polke's serie Original + Falschung, een persiflage op beroemde gestolen schilderijen van bijvoorbeeld Rembrandt, Gainsborough en Rubens, behoort nu tot de hoogtepunten van de zevenhonderd werken omvattende collectie.

Grothe bleek een goede neus te hebben voor jong talent. De 22 kunstenaars die in zijn verzameling vertegenwoordigd zijn, onder wie Günther Förg, Jörg Immendorff, Imi Knoebel, Markus Lüpertz, Ulrich Rückriem, Katharina Sieverding en Rosemarie Trockel, behoren inmiddels tot de top van de internationale kunstwereld. Opvallend is de overeenkomst tussen Grothe's smaak en het museumbeleid van Rudi Fuchs, die ook een bijdrage aan de catalogus van Museum Küppersmühle leverde. In het Stedelijk Museum Amsterdam waren de afgelopen jaren regelmatig solotentoonstellingen te zien van `Grothe's kunstenaars'.

Lopend door het museum krijg je het gevoel dat de architectuur volledig in dienst is gesteld van de kunst. De muren zijn steriel wit, de vloer van Turks basalt is staalgrijs en het patroon van rechthoekige museumzalen is precies op maat gesneden voor de werken uit de collectie. Gigantische zalen bieden ruimte aan metersgrote doeken van Penck en Kiefer, terwijl in een intiemere, verduisterde ruimte de tekeningen van Palermo zijn opgehangen. Niets leidt de aandacht van de werken af. Er zijn geen naambordjes, geen plinten of deurknoppen, de verwarming zit onder de vloer verborgen en de airconditioning is weggestopt tussen de tl-buizen aan het plafond. Daglicht wordt hardnekkig buitengehouden in deze ultieme white cube. Slechts sporadisch biedt een smalle nis uitzicht op de binnenhaven, het kanaal dat de binnenstad van Duisburg met de Rijn verbindt.

Dat het museum hierdoor vreselijk kil en onpersoonlijk aandoet, is een van de grootste bezwaren van deze architectuur. De werken zijn perfect opgehangen, strak in het gelid, iedere kunstenaar in zijn eigen zaaltje. Maar door de brave, weinig bevlogen presentatie en de tamelijk voorspelbare collectie is de Küppersmühle niet veel meer dan het zoveelste Duitse museum met weer dezelfde Duitse kunstenaars. Het is de vraag hoe lang de Sammlung Grothe, als het nieuwe er straks af is, bezoekers kan blijven trekken.

Het typerendst voor het onpersoonlijke karakter van het museum is de ruimte die is ingericht met werken van Joseph Beuys. In de catalogus vertelt Grothe hoe hij ooit met Beuys sprak over de installatie Elferraum (1961-1975), een verzameling van elf tekeningen die hij zojuist had aangekocht. Het liefst had Beuys dat zijn werk in de entree van het toekomstige museum getoond zou worden, als een kleine ruimte in een grote zaal. Twee bankjes die tegen de achterzijde van de ruimte geplaatst moesten worden, zouden via een grote glaswand uitzicht bieden op twee eiken die buiten geplant waren. Beuys stelde zich voor dat een echtpaar, na het zien van de collectie op de bankjes zou neerzijgen en genietend van de bomen zou zeggen: ,,Wat hebben we hier nu allemaal voor onzin gezien, die men kunst noemt? Wat was er nu mooier dan deze twee eiken?'' Grothe heeft de Elferraum inderdaad in de entreehal van het museum geïnstalleerd, inclusief bankjes en glaswand. De twee eiken worden binnenkort geplant. Maar wat Beuys had bedoeld als een ruimte voor contemplatie, waar de status van kunst kon worden gerelativeerd, is in deze context volledig verkeerd uitgepakt. Geen mens die er aan denkt om in deze steriele ruimte rustig te gaan zitten om te filosoferen. Terwijl Beuys de aandacht van de kunst wilde afleiden, wordt je blik in deze ruimte juist op de kunst gefixeerd. De Elferraum is een heiligdom ter ere van kunstgoeroe Beuys geworden, zoals de Küppersmühle in feite een tempel voor Hans Grothe zelf is.

Museum Küppersmühle – Sammlung Grothe, Innenhafen, Philosophenweg 55, Duisburg. Tel. (0203) 301 948 11. Di t/m do 16-21u, za en zo 11-18u, ma en vr gesloten. Catalogus DM 49,-.